Welk bloed voor welke patiënt?

Er zijn vier verschillende bloedgroepen, die genoemd worden naar de antigenen die aan de buitenkant van de rode bloedcellen zitten. Zo is er bloed met antigeen A, met antigeen B en met een mix van A en B. Bloed zonder deze antigenen noemen we O. Die O staat eigenlijk voor ‘nul’. Als je bloed met een bepaald antigeen toedient aan iemand die zelf dat antigeen niet heeft, dan ziet het lichaam deze antigenen als indringers en gaat het ze bestrijden.

Ook de resusfactor moet kloppen om bloed te kunnen toedienen. Het resus D-antigen is hierbij het belangrijkste. Als je rode bloedcellen dit antigeen dragen, dan is je bloed Resus D-positief. In dat geval mag je bloed niet toegediend worden aan patiënten die dat Resus D-antigeen niet hebben (Resusnegatief). Als je resus-positief bloed hebt, kan je zowel bloed met als zonder dit resus-kenmerk ontvangen. De Resus D-factor wordt aangeduid met een + of – achter de letter van je bloedgroep. Onderstaande tabel toont aan wie je bloed mag geven en van wie je bloed mag ontvangen.

Om zoveel mogelijk complicaties uit te sluiten, geven ziekenhuizen patiënten bij voorkeur bloed van dezelfde bloedgroep. Bij medische noodgevallen wordt O-negatief bloed toegediend, omdat daar geen antigenen inzitten waarop een patiënt kan reageren. Een donor met O-negatief bloed is dus de universele donor.