Verdrag (X) voor de toepassing op de zeeoorlog van de beginselen van het Verdrag van Genève

 
De Tweede Vredesconferentie van Den Haag van 1907 herzag het Verdrag nopens de toepassing op de zeeoorlog van de beginselen van het Verdrag van Genève van 1864 en breidde het uit. Het merendeel van de artikels van het Verdrag van 1899 werden zonder wijziging overgenomen in het Verdrag van 1907, een aantal nieuwe artikels werd toegevoegd. Het nieuwe verdrag is gebaseerd op het Verdrag van Genève van 1906, waar het vroegere verdrag op het minder volledige verdrag van 1864 steunde.

Het Verdrag was van kracht tijdens de beide wereldoorlogen. In 1949 werd het vervangen door het Tweede Verdrag van Genève.

De verdragstekst


(Aanduiding van de verdragsluitende Mogendheden.)

Gelijkelijk bezield met de wens om, voor zover het van hen afhangt, de van de oorlog onafscheidelijke rampen te verminderen;

En met dat doel de beginselen van het Verdrag van Genève van 6 juli 1906 op de zeeoorlog willend toepassen;

Hebben beslist met het doel het op hetzelfde onderwerp betrekking hebbend Verdrag van 29 juli 1899 te herzien en hebben tot hun Gevolmachtigden benoemd, te weten:

(Aanduiding van de Gevolmachtigden.)

Die, na hun volmachten te hebben neergelegd, welke in goede en behoorlijke vorm zijn bevonden, omtrent het volgende zijn overeengekomen:

Artikel 1 - Hospitaalschepen van de krijgsmacht

De krijgshospitaalschepen, dat wil zeggen de schepen door de Staten gebouwd of ingericht in het bijzonder en uitsluitend met het doel om hulp te verlenen aan de gewonden, zieken en schipbreukelingen; en waarvan de namen aan de oorlogvoerende Mogendheden zullen zijn meegedeeld bij de aanvang of in de loop van de vijandelijkheden, in ieder geval vóór elke ingebruikstelling, worden geëerbiedigd en kunnen gedurende de vijandelijkheden niet worden prijs gemaakt.

Evenmin worden die schepen, met betrekking tot hun verblijf in een onzijdige haven, gelijkgesteld met oorlogsschepen.

Artikel 2 - Hospitaalschepen van hulpverenigingen

De hospitaalschepen, geheel of ten dele uitgerust op kosten van particulieren of van officieel erkende verenigingen tot hulpbetoon, worden eveneens geëerbiedigd en zijn niet onderhevig aan prijsmaking, indien de oorlogvoerende Mogendheid, waartoe zij behoren hun een officiële lastbrief heeft verstrekt en hun namen ter kennis heeft gebracht van de tegenpartij bij de aanvang of in de loop van de vijandelijkheden, in ieder geval vóór enige ingebruikstelling.

Die schepen moeten voorzien zijn van een stuk, afkomstig van de bevoegde overheid, verklarende dat zij gedurende hun uitrusting en bij hun eindvertrek aan haar toezicht onderworpen zijn geweest.

Artikel 3 - Hospitaalschepen uit neutrale staten

De hospitaalschepen geheel of ten dele uitgerust op kosten van particulieren of van officieel erkende verenigingen van onzijdige landen, worden geëerbiedigd en zijn niet onderhevig aan prijsmaking, onder voorwaarde dat zij zich onder de leiding van een van de oorlogvoerenden hebben gesteld, met voorafgaande goedkeuring van hun eigen Regering en met de machtiging van de oorlogvoerende zelf, en dat deze hun namen ter kennis heeft gebracht van de tegenpartij, bij de aanvang of in de loop van de vijandelijkheden, in ieder geval vóór enige ingebruikstelling.

Artikel 4 - Plichten hospitaalschepen

De schepen, die vermeld zijn in de artikelen 1, 2 en 3, verlenen hulp en bijstand aan de gewonden, zieken en schipbreukelingen van de oorlogvoerenden, zonder onderscheid van nationaliteit. De Regeringen verbinden zich om die schepen voor generlei oorlogsdoeleinde te gebruiken.

Die schepen mogen de bewegingen van de strijdenden op generlei wijze belemmeren.
 
Gedurende en na de strijd handelen zij op eigen risico en gevaar.

De oorlogvoerenden hebben ten opzichte van hen het recht van onderzoek en van doorzoeking; zij kunnen hen medewerking weigeren, hen gebieden zich te verwijderen, hen een bepaalden koers voorschrijven en een commissaris aan boord plaatsen, hen zelfs inhouden, indien de ernst van de omstandigheden het mocht vergen.

De oorlogvoerenden schrijven, zoveel mogelijk, in het scheepsdagboek van de hospitaalschepen de bevelen in, welke zij hen geven.

Artikel 5 - Herkenbaarheid

De krijgshospitaalschepen worden onderscheiden door een witte buitenschildering met een horizontale groene band van ongeveer anderhalve meter breedte.

De schepen, die vermeld zijn in de artikelen 2 en 3, worden onderscheiden door een witte buitenschildering met een horizontale rode band van ongeveer anderhalve meter breedte.

De sloepen van de zo-even vermelde schepen, evenals de kleine vaartuigen die bestemd kunnen worden voor de hospitaaldienst, worden onderscheiden door een dergelijke beschildering.

Alle hospitaalschepen maken zich kenbaar door, met hun nationale vlag, de witte vlag met rood kruis, voorzien door het Verdrag van Genève en bovendien, indien zij tot een Onzijdige Staat behoren, door aan de grote mast de nationale vlag te hijsen van de oorlogvoerende, onder wiens leiding zij zich hebben gesteld.

De hospitaalschepen, die in het geval in artikel 4 voorzien, door de vijand worden aangehouden moeten de nationale vlag van de oorlogvoerende, waartoe zij behoren, inhalen.

De bovengenoemde schepen en sloepen die zich 's nachts overeenkomstig de hun toekomende
eerbied willen verzekeren, moeten, met toestemming van de oorlogvoerende die zij vergezellen, de nodige maatregelen nemen om de kleuren die hen kenmerken, voldoende te doen uitkomen.

Artikel 6 - Onderscheidingstekens

De in artikel 5 voorziene onderscheidingstekens kunnen zowel in tijd van vrede als in tijd van oorlog slechts gebruikt worden ter bescherming of ter onderscheiding van de aldaar genoemde vaartuigen.

Artikel 7 - Statuut ziekeninrichtingen

In geval van een gevecht aan boord van een oorlogsschip worden de ziekeninrichtingen zoveel mogelijk geëerbiedigd en gespaard.

Deze ziekeninrichtingen en haar materieel blijven aan de oorlogswetten onderworpen, maar kunnen niet tot een ander doel worden bestemd, zo lang zij voor de gewonden en zieken nodig zijn.

Evenwel heeft de bevelhebber, die haar in zijn macht heeft, de bevoegdheid er over te beschikken, in geval zulks voor een gewichtig militair belang noodzakelijk is, mits hij van te voren de gewonden en zieken, die zich daarin bevinden, in veiligheid stelt.

Artikel 8 - Verlies beschermd statuut

De bescherming aan de hospitaalschepen en aan de ziekeninrichtingen van de oorlogsschepen verschuldigd, houdt op als men ervan gebruik maakt tot het verrichten van voor de vijand nadelige handelingen.

Als rechtmatige reden om die bescherming niet verder te verlenen wordt niet beschouwd het feit, dat het personeel van die hospitaalschepen en ziekeninrichtingen voor de handhaving van de orde en tot verdediging van de gewonden en zieken gewapend is, evenmin als het feit dat zich aan boord een toestel voor radiotelegrafie bevindt.

Artikel 9 - Hulpverlening door neutrale handelsvaartuigen

De oorlogvoerenden kunnen een beroep doen op de menslievendheid van de gezagvoerders van onzijdige handelsvaartuigen, jachten of sloepen, om gewonden of zieken aan boord te nemen en te verzorgen.

De vaartuigen, die aan dat beroep gehoor geven, evenals die welke uit eigen beweging gewonden, zieken of schipbreukelingen aan boord nemen, genieten een bijzondere bescherming en zekere vrijstellingen. In geen geval kunnen zij wegens het feit van  het vervoer worden prijs gemaakt; maar behoudens de hun gedane beloften blijven zij blootgesteld aan prijsmaking wegens enigerlei schending van de onzijdigheid, waarvan zij zich schuldig gemaakt mochten hebben.

Artikel 10 - Geneeskundig en geestelijk personeel

Het geestelijk, geneeskundig en hospitaal-personeel van ieder prijs gemaakt schip is onschendbaar en kan niet krijgsgevangen gemaakt worden. Bij het verlaten van het schip neemt dit personeel de voorwerpen en heelkundige instrumenten, welke zijn bijzonder eigendom zijn, mee.

Dat personeel gaat voort zijn bedieningen te vervullen, zolang zulks nodig zal zijn en het kan zich vervolgens verwijderen, wanneer de opperbevelhebber het mogelijk oordeelt.

De oorlogvoerenden moeten aan dat in hun handen gevallen personeel dezelfde vergoedingen en dezelfde soldij verzekeren, als aan het personeel van dezelfde rangen van hun eigen marine toekomt.

Artikel 11 - Bescherming en verzorging

De zich aan boord bevindende zee- en krijgslieden en andere officieel aan de zee- of landmacht verbonden personen, die gewond of ziek zijn, om het even tot welke natie zij behoren, worden door de nemers geëerbiedigd en verzorgd.

Artikel 12 - Uitlevering van gewonden, zieken en schipbreukelingen

Elk oorlogsschip van een oorlogvoerende Partij kan de uitlevering verlangen van de gewonden, zieken en schipbreukelingen, die aan boord zijn van militaire hospitaalschepen, van hospitaalschepen toebehorende aan een vereniging tot hulpbetoon of aan particulieren, van handelsvaartuigen, jachten en sloepen van welke nationaliteit die vaartuigen ook zijn.

Artikel 13 - Maatregelen om deelname aan de vijandelijkheden te verhinderen

Indien gewonden, zieken of schipbreukelingen aan boord van een onzijdig oorlogsschip worden opgenomen, moeten binnen de grenzen van het mogelijke, maatregelen genomen worden opdat zij niet meer aan de krijgsverrichtingen kunnen deelnemen.

Artikel 14 - Krijgsgevangenen

De schipbreukelingen, gewonden of zieken van een oorlogvoerende, welke in de handen vallen van de andere zijn krijgsgevangenen. Aan deze laatste staat het vrij, naar de omstandigheden, te beslissen, of hij hen wil houden, hen zenden naar een haven van zijn Staat, naar een onzijdige haven of zelfs naar een haven van de tegenpartij. In het laatste geval mogen de aldus aan hun land teruggegeven gevangenen gedurende de oorlog niet dienen.

Artikel 15 - Krijgsgevangenen in neutrale havens

De schipbreukelingen, gewonden of zieken, die met toestemming van de plaatselijke overheid, in een onzijdige haven worden ontscheept, moeten, behoudens een schikking in tegenovergestelde zin van de onzijdige Staat met de oorlogvoerende Staten, op zodanige wijze door de onzijdige Staat bewaakt worden, dat zij niet opnieuw kunnen deelnemen aan de krijgsverrichtingen.

De hospitaalkosten en die voor de internering zullen gedragen worden door de Staat, tot dewelke de schipbreukelingen, gewonden of zieken behoren.

Artikel 16 - Zoeken van gewonden na confrontatie

Na elk gevecht worden door beide oorlogvoerende partijen, voor zover de militaire belangen het veroorloven, maatregelen genomen om de schipbreukelingen, gewonden en zieken op te zoeken en hen, evenals de doden, tegen plundering en slechte behandeling te doen beschermen.

Zij zorgen er voor, dat aan het begraven, het overboord zetten of het verbranden van de doden een nauwkeurig onderzoek van hun lijken voorafgaat.

Artikel 17 - Uitwisseling informatie

Ieder oorlogvoerende zendt, zodra mogelijk, aan de overheden van hun land, van hun zeemacht of van hun leger, de op de doden gevonden militaire identiteitstekens of -stukken, en de naamlijst van de door hem opgenomen gewonden of zieken.

De oorlogvoerenden houden elkander op de hoogte van de interneringen en veranderingen, evenals van de opnames in de hospitalen en van de sterfgevallen, die zijn voorgekomen onder de gewonden en zieken, welke zich in hun macht bevinden. Zij verzamelen alle voorwerpen, dienend voor persoonlijk gebruik, voorwerpen van waarde, brieven, enz., die op de genomen schepen worden gevonden of die worden achtergelaten door de gewonden of zieken, welke in de hospitalen overleden zijn; ten einde ze aan de belanghebbenden door de overheden van hun land te doen toekomen.

Artikel 18 - Toepassingsgebied

De bepalingen van dit Verdrag zijn slechts toepasselijk tussen de verdragsluitende Mogendheden en alleen indien de oorlogvoerenden allen partijen zijn bij het Verdrag.

Artikel 19 - Bijkomende voorzieningen inzake uitvoering

De opperbevelhebbers van de vloten van de oorlogvoerenden moeten voorzien in de regeling van de bijzonderheden betreffende de uitvoering van de voorgaande artikelen, en de niet voorziene gevallen regelen, volgens de voorschriften van hun wederkerige Regeringen en overeenkomstig de algemene beginselen van dit Verdrag.

Artikel 20 - Verspreiding

De ondergetekende Mogendheden treffen de nodige maatregelen om haar zeemachten, en in het bijzonder het beschermde personeel, te onderrichten van de bepalingen van dit Verdrag en ze ter kennis van de bevolking te brengen.

Artikel 21 - Strafbepalingen

De ondergetekende Mogendheden verbinden zich eveneens om in geval van onvoldoendheid van hun strafwetten, de nodige maatregelen te nemen of aan hun wetgevende lichamen voor te stellen, om in tijd van oorlog de individuele daden van plundering en slechte behandeling van gewonden en zieken, tot de zeemachten behorend te beteugelen, alsook om het misbruik maken, door niet door dit Verdrag beschermde vaartuigen, van de in artikel 5 aangewezen onderscheidingstekens, te straffen aIs ongeoorloofd gebruik van militaire tekens.

Zij delen elkaar, door tussenkomst van de Nederlandse Regering, de bepalingen tegen deze feiten mee, uiterlijk binnen vijf jaar na de bekrachtiging van dit Verdrag.

Artikel 22 - Krijgsverrichtingen tussen land- en zeemacht

In geval van krijgsverrichtingen tussen land- en zeemacht van de oorlogvoerenden, zijn de bepalingen van dit Verdrag slechts toepasselijk op de ingescheepte krijgsmacht.

Artikel 23 - Bekrachtiging

Dit Verdrag zal zo spoedig mogelijk worden bekrachtigd.

De akten van bekrachtiging zullen te Den Haag worden neergelegd.

De eerste neerlegging van akten van bekrachtiging zal vastgesteld worden door een proces-verbaal, getekend door de vertegenwoordigers van de Mogendheden die er aan deelnemen en door de Nederlandse Minister van Buitenlandse Zaken.

De latere neerleggingen van akten van bekrachtiging zullen plaats hebben door middel van een geschreven kennisgeving, gericht aan de Nederlandse Regering en vergezeld van de oorkonde van bekrachtiging.

Een gewaarmerkte afdruk van het proces-verbaal, betrekkelijk de eerste neerlegging van akten van bekrachtiging, van de in het voorgaande lid vermelde kennisgevingen alsmede van de oorkonden van bekrachtiging, zal door de zorgen van de Nederlandse Regering en langs diplomatieke weg onmiddellijk worden overgemaakt aan de Mogendheden, uitgenodigd tot de Tweede Vredesconferentie, alsmede aan de andere Mogendheden, die tot het Verdrag zullen zijn toegetreden. In de gevallen in het voorgaande lid bedoeld zal genoemde Regering haar tegelijkertijd de datum doen kennen, waarop zij de kennisgeving ontvangen heeft.

Artikel 24 - Toetreding

De niet ondertekenende Mogendheden, die het Verdrag van Genève van 6 juli 1906 hebben aangenomen, zijn bevoegd tot dit Verdrag toe te treden.

De Mogendheid, die wenst toe te treden, geeft van haar bedoeling schriftelijk kennis aan de Nederlandse Regering, onder overmaking van de akte van toetreding, die in de archieven van genoemde Regering wordt neergelegd.

Deze Regering doet onmiddellijk aan alle andere Mogendheden een gewaarmerkte afdruk geworden van de kennisgeving, alsmede van de akte van toetreding, met aangifte van de datum, waarop zij de kennisgeving heeft ontvangen.

Artikel 25 - Betrekking tot vorige verdragen

Dit Verdrag vervangt, zodra het behoorlijk bekrachtigd is, het Verdrag van de 29 juli 1899 nopens de toepassing op de zeeoorlog van de beginselen van het Verdrag van Genève, ten aanzien van de betrekkingen tussen de verdragsluitende Mogendheden.

Het Verdrag van 1899 blijft van kracht ten aanzien van de betrekkingen tussen de Mogendheden, die het getekend hebben en die niet eveneens dit Verdrag bekrachtigen.

Artikel 26 - Inwerkingtreding

Dit Verdrag treedt in werking voor de Mogendheden, die aan de eerste neerlegging van akten van bekrachtiging hebben deelgenomen, zestig dagen na de dagtekening van het proces-verbaal van deze neerlegging en voor de Mogendheden, die later de akten van bekrachtiging neerleggen of toetreden, zestig dagen nadat de kennisgeving van de neerlegging van haar toetreding door de Nederlandse Regering is ontvangen.

Artikel 27 - Opzegging

Moest een van de verdragsluitende Mogendheden dit Verdrag willen opzeggen, dan wordt deze opzegging schriftelijk ter kennis gebracht van de Nederlandse Regering, die onmiddellijk een gewaarmerkte afdruk van de kennisgeving doet geworden aan al de andere Mogendheden en haar daarbij doet kennen de datum, waarop zij die ontvangen heeft.

De opzegging heeft slechts gevolg ten opzichte van de Mogendheid, die er van kennis heeft gegeven en één jaar nadat de kennisgeving ervan de Nederlandse Regering heeft bereikt.

Artikel 28 - Registratie

Een register, gehouden door het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken, wijst aan de datum van de neerlegging van de akten van bekrachtiging, geschied ingevolge artikel 23, lid 3 en 4, alsmede de datum, waarop de kennisgevingen van toetreding (artikel 24, lid 2) of van opzegging (artikel 27, lid 1) zijn ontvangen. Iedere verdragsluitende Mogendheid is bevoegd kennis te nemen van dit register en er gewaarmerkte uittreksels uit te vragen.

Ten blijke waarvan de Gevolmachtigden dit Verdrag van hun ondertekeningen hebben voorzien.

Gedaan te Den Haag, op 18 oktober 1907, in enkelvoudig exemplaar, dat neergelegd blijft in de archieven van de Nederlandse Regering en waarvan gewaarmerkte afdrukken langs diplomatieke weg worden overgemaakt aan de Mogendheden die tot de tweede Vredesconferentie zijn uitgenodigd geworden.

Stel je vraag

  • Geboortedatum

  • verzend

Detail

  • Plaats: Den Haag
  • Aangenomen: 18-10-1907
  • Inwerkingtreding: 26-01-1910

In België

  • Ratificatie: 06-08-1910
  • Inwerkingtreding: 07-10-1910
  • Ondertekening: 18-10-1907
  • Publicatie: 06-11-1910