Verdrag (V) nopens de rechten en verplichtingen van de onzijdige mogendheden en personen in geval van oorlog te land

Het neutraliteitsrecht werd hoofdzakelijk ontwikkeld tijdens de 19de eeuw. Belangrijke elementen daarbij waren de twee Verklaringen inzake gewapende neutraliteit van 1780 en 1800, de houding van de Verenigde Staten inzake neutraliteit, de permanente neutraliteit van Zwitserland en België, en de Verklaring van Parijs van 1856. Tijdens de Tweede Haagse Vredesconferentie leken de staten bereid tot codificatie. Hoewel men zich in grote mate beperkte tot de codificatie van bestaande regels van internationaal recht, werden de twee verdragen die in Den Haag over neutraliteit werden afgesloten niet geratificeerd door Groot-Brittannië, Italië en enkele andere staten. Naast deze twee verdragen over neutraliteit zijn ook andere verdragen van 1907 belangrijk voor het neutraliteitsrecht, in het bijzonder het Verdrag (VII) nopens de verandering van handelsschepen in oorlogsschepen, het Verdrag (XI) nopens zekere beperkingen van de uitoefening van het buitrecht in de zeeoorlog en het Verdrag (XII) betreffende de oprichting van een Internationaal Prijshof. Verder bevat de niet-geratificeerde Verklaring van Londen van 1909 de meest belangrijke regels inzake neutraliteit bij oorlog ter zee.

Als gevolg van de twee wereldoorlogen, het verbod op oorlog en het systeem van collectieve veiligheid, ingesteld door de Volkenbond en de Verenigde Naties, heeft het traditionele neutraliteitsrecht veel aan belang verloren.

De verdragstekst

(aanduiding van de verdragsluitende Mogendheden)

Ten einde de rechten en verplichtingen van de onzijdige Mogendheden in geval van oorlog te land beter te omschrijven en de rechtstoestand van de op onzijdig gebied uitgeweken oorlogvoerenden te regelen;

Wensend eveneens de hoedanigheid van onzijdig persoon te omschrijven, in afwachting dat het mogelijk zal zijn de rechtstoestand van onzijdige particulieren in hun betrekkingen tot de oorlogvoerenden in zijn geheel te regelen;

Hebben besloten met dat doel een verdrag te sluiten en hebben dientengevolge tot hun Gevolmachtigden benoemd, te weten:

(aanduiding van de Gevolmachtigden)

Die, na hun volmachten te hebben neergelegd, welke in goede en behoorlijke vorm zijn bevonden, omtrent het volgende zijn overeengekomen:

Hoofdstuk I - Van de rechten en verplichtingen van de onzijdige mogendheden

Artikel 1 - Onschendbaarheid grondgebied

Het grondgebied van de onzijdige Mogendheid is onschendbaar.

Artikel 2 - Verbod van doorgang

Het is de oorlogvoerenden verboden het grondgebied van een onzijdige Mogendheid door troepen of konvooien, munitie of krijgsvoorraden te doen doortrekken.

Artikel 3 - Communicatiemiddelen

Het is de oorlogvoerenden eveneens verboden:

  1. Op het grondgebied van een onzijdige Mogendheid een radiotelegrafisch station of enig toestel, bestemd om als middel van communicatie met de oorlogvoerende strijdkrachten te land of ter zee te dienen, op te stellen;
  2. Enige inrichting van die aard te gebruiken die door hen vóór de oorlog op het grondgebied van een onzijdige Mogendheid is opgesteld met een uitsluitend militair doel, en die niet geopend is geweest voor het publiek.

Artikel 4 - Aanwerving

Op het grondgebied van een onzijdige Mogendheid kunnen ten behoeve van de oorlogvoerenden geen strijderkorpsen worden gevormd, noch aanwervingbureaus geopend.

Artikel 5 - Naleving

Een onzijdige Mogendheid mag op haar grondgebied geen van de in artikelen 2 tot 4 bedoelde daden dulden.

Zij is slechts verplicht met de onzijdigheid strijdige daden te straffen, indien die daden op haar eigen grondgebied zijn gepleegd.

Artikel 6 - Beperking verantwoordelijkheid

Een onzijdige Mogendheid is geenszins verantwoordelijk wegens het louter feit dat afzonderlijke personen de grens overtrekken om bij een van de oorlogvoerenden in dienst te treden.

Artikel 7 - Doorvoer van oorlogsmateriaal

Een onzijdige Mogendheid is niet gehouden de uit- of doorvoer te beletten, voor rekening van een van de oorlogvoerenden van wapens, munitie en in het algemeen, van al wat voor een leger of een vloot dienstig kan zijn.

Artikel 8 - Gebruik van telegrafietoestellen

Een onzijdige Mogendheid is niet gehouden, ten aanzien van de oorlogvoerenden, het gebruik te verbieden of te beperken van de telegraaf- of telefoonkabels, alsmede van de toestellen voor draadloze telegrafie, welke hetzij haar eigendom, hetzij dat van verenigingen of particulieren zijn.

Artikel 9 - Gelijke toepassing

Alle beperkende of verbiedende maatregelen, door een onzijdige Mogendheid ten aanzien van de in artikelen 7 en 8 bedoelde onderwerpen genomen, moeten door haar op geheel gelijke wijze op de oorlogvoerenden worden toegepast.

De onzijdige Mogendheid waakt, dat dezelfde verplichting door de maatschappijen of particulieren die eigenaar zijn van telegraaf- of telefoonkabels of van toestellen voor draadloze telegrafie, wordt nagekomen.

Artikel 10 - Inbreuken op neutraliteit

Als een vijandige daad kan niet beschouwd worden het feit dat een onzijdige Mogendheid, zelfs met geweld, inbreuken op haar onzijdigheid tegengaat.

Hoofdstuk II - Van de bij de onzijdige geïnterneerde oorlogvoerenden en verpleegde gewonden

Artikel 11 - Internering troepen

De onzijdige Mogendheid die op haar grondgebied troepen toelaat, tot de oorlogvoerende legers behorend, interneert deze troepen voor zoveel mogelijk ver van het oorlogstoneel verwijderd.

Zij kan hen doen bewaken in kampen en hen zelfs opsluiten in vestingen of in daarvoor geschikt gemaakte plaatsen.

Zij beslist of de officieren vrijgelaten kunnen worden, mits zich op hun erewoord verbindend het onzijdige grondgebied niet zonder verlof te verlaten.

Artikel 12 - Levensonderhoud

Bij gebrek aan een bijzondere overeenkomst, verschaft de onzijdige Mogendheid aan de geïnterneerden de levensmiddelen, de kleding en de hulp door de menslievendheid gevergd.

Bij de vrede worden de door de internering veroorzaakte kosten vergoed.

Artikel 13 - Ontvluchte krijgsgevangenen

De onzijdige Mogendheid, die ontvluchte krijgsgevangenen opneemt, laat hen vrij. Indien zij hun verblijf op haar grondgebied toelaat, kan zij hun een verblijfplaats aanwijzen.

Dezelfde bepaling is van toepassing op de krijgsgevangenen die door troepen zijn meegevoerd die op het grondgebied van de onzijdige Mogendheid de wijk nemen.

Artikel 14 - Doortocht van gewonden en zieken

Een onzijdige Mogendheid kan de doortocht van gewonden en zieken, tot de oorlogvoerende legers behorend, over haar gebied toestaan onder voorbehoud dat de treinen die hen aanbrengen, noch oorlogspersoneel, noch oorlogsmaterieel vervoeren. In zodanig geval is de onzijdige Mogendheid verplicht de terzake vereiste maatregelen van veiligheid en toezicht te nemen.

De gewonden en zieken, die onder deze voorwaarden door een van de oorlogvoerenden op het onzijdige grondgebied zijn aangebracht en tot de tegenpartij mochten behoren, moeten door de onzijdige Mogendheid onder bewaring worden gesteld, zodat zij niet opnieuw kunnen deelnemen aan de krijgsverrichtingen. Deze Mogendheid heeft dezelfde plichten ten aanzien van de gewonden en de zieken van het andere leger, die haar toevertrouwd mochten zijn.

Artikel 15 - Verdrag van Genève

Het Verdrag van Genève is toepasselijk op de zieken en gewonden die op onzijdig grondgebied zijn geïnterneerd.

Hoofdstuk III - Van de onzijdige personen

Artikel 16 - Definitie

Als onzijdige worden beschouwd de onderdanen van een Staat die niet deelneemt aan de oorlog.

Artikel 17 - Verlies neutraal statuut

Een onzijdige kan zich niet op zijn onzijdigheid beroepen:

  1. Indien hij vijandelijkheden tegen een oorlogvoerende pleegt;
  2. Indien hij daden pleegt in het belang van een oorlogvoerende, in het bijzonder indien hij vrijwillig dienst neemt in de gelederen van de krijgsmacht van een van de Partijen.

In zodanig geval wordt de onzijdige niet harder door de oorlogvoerende behandeld, tegenover wie hij de onzijdigheid niet in acht heeft genomen, dan wegens hetzelfde feit een onderdaan van de andere oorlogvoerende Staat zou kunnen worden behandeld.

Artikel 18 - Niet schadelijke daden

Als daden in het belang van een van de oorlogvoerenden in de zin van artikel 17, letter b, worden niet beschouwd:

  1. De leveringen gedaan of de leningen toegestaan aan een van de oorlogvoerenden, mits diegene die levert of leent noch op het grondgebied van de andere Partij, noch op het door deze bezette grondgebied woont en de leveringen niet van dat gebied afkomstig zijn;
  2. De bewezen diensten inzake politie of burgerlijk bestuur.

Hoofdstuk IV - Van het spoorwegmaterieel

Artikel 19 - Opvordering en gebruik

Het spoorwegmateriaal, dat afkomstig is van het grondgebied van onzijdige Mogendheden, hetzij het aan die Mogendheden of aan particuliere maatschappijen of personen toebehoort, en dat als zodanig te herkennen is, kan door een oorlogvoerende slechts in die gevallen en in die mate worden opgevorderd en gebruikt, waarin een gebiedende noodzaak het eist. Het wordt zodra mogelijk naar het land van herkomst teruggezonden.

De onzijdige Mogendheid kan eveneens, in geval van noodzaak, in een behoorlijke mate het materiaal dat van het grondgebied van de oorlogvoerende Mogendheid afkomstig is, terughouden en gebruiken.
Een vergoeding wordt over en weer betaald naar verhouding van de gebruikte hoeveelheid materiaal en de duur van dat gebruik.

Hoofdstuk V - Slotbepalingen

Artikel 20 - Toepassingsgebied

De bepalingen van dit Verdrag zijn slechts toepasselijk tussen de verdragsluitende Mogendheden en alleen indien de oorlogvoerenden allen partijen zijn bij het Verdrag.

Artikel 21 - Bekrachtiging

Dit Verdrag zal zo spoedig mogelijk worden bekrachtigd.

De akten van bekrachtiging zullen in Den Haag worden neergelegd.

De eerste neerlegging van akten van bekrachtiging zal vastgesteld worden door een proces-verbaal, getekend door de vertegenwoordigers van de Mogendheden die er aan deelnemen en door de Nederlandse Minister van Buitenlandse Zaken.

De latere neerlegging van akten van bekrachtiging zullen plaats hebben door middel van een geschreven kennisgeving gericht aan de Nederlandse Regering en vergezeld van de oorkonde van bekrachtiging.

Een gewaarmerkt afschrift van het proces-verbaal van de eerste neerlegging van akten van bekrachtiging, van de in het voorgaande lid vermelde kennisgevingen, alsmede van de oorkonden van bekrachtiging, zal door de zorgen van de Nederlandse Regering en langs diplomatieke weg onmiddellijk worden overgemaakt aan de Mogendheden, uitgenodigd tot de Tweede Vredesconferentie, alsmede aan de andere Mogendheden die tot het Verdrag zullen zijn toegetreden. In de gevallen in het voorgaande lid bedoeld, zal genoemde Regering haar tegelijkertijd de datum doen kennen waarop zij de kennisgeving ontvangen heeft.

Artikel 22 - Toetreding

De niet ondertekenende Mogendheden zijn bevoegd tot dit Verdrag toe te treden.

De Mogendheid die wenst toe te treden geeft van haar bedoeling schriftelijk kennis aan de Nederlandse Regering, onder overmaking van de akte van toetreding, die in de archieven van genoemde Regering wordt neergelegd.

Deze Regering doet onmiddellijk aan alle andere Mogendheden een gewaarmerkt afschrift geworden van de kennisgeving, alsmede van de akte van toetreding, met aangifte van de datum waarop zij de kennisgeving heeft ontvangen.

Artikel 23 - Inwerkingtreding

Dit Verdrag treedt in werking voor de Mogendheden die aan de eerste neerlegging van akten van bekrachtiging hebben deelgenomen, zestig dagen na de dagtekening van het proces-verbaal van neerlegging en voor de Mogendheden, die later de akten van bekrachtiging neerleggen of toetreden, zestig dagen nadat de kennisgeving van neerlegging van haar akten van bekrachtiging of van haar toetreding door de Nederlandse Regering is ontvangen.

Artikel 24 - Opzegging

Moest een van de Hoge Verdragsluitende Mogendheden dit Verdrag willen opzeggen, dan wordt deze opzegging schriftelijk ter kennis gebracht van de Nederlandse Regering, die onmiddellijk een gewaarmerkt afschift doet geworden aan al de andere Mogendheden en haar daarbij de datum van ontvangst doet kennen.
De opzegging heeft slechts gevolg ten opzichte van de Mogendheid die er kennis van heeft gegeven en één jaar nadat de kennisgeving ervan de Nederlandse Regering heeft bereikt.

Artikel 25 - Registratie

Een register, gehouden door het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken, wijst de datum aan van neerlegging van de akten van bekrachtiging, geschied ingevolge artikel 21, lid 3 en 4, alsmede de datum waarop de kennisgeving van toetreding (artikel 22, lid 2) of van opzegging (artikel 24, lid 1) zijn ontvangen.

Iedere verdragsluitende Mogendheid is bevoegd kennis te nemen van dit register en er gewaarmerkte uittreksels uit te vragen.

Ten blijke waarvan de Gevolmachtigden dit Verdrag van hun ondertekening hebben voorzien.

Gedaan te Den Haag, op 18 oktober 1907, in enkelvoudig exemplaar, dat neergelegd blijft in de archieven van de Nederlandse Regering en waarvan gewaarmerkte afschriften langs diplomatieke weg worden overgemaakt aan de Mogendheden die tot de Tweede Vredesconferentie zijn uitgenodigd geworden.

Stel je vraag

  • Geboortedatum

  • verzend

Detail

  • Plaats: Den Haag
  • Aangenomen: 18-10-1907
  • Inwerkingtreding: 26-01-1910

In België

  • Ratificatie: 06-08-1910
  • Inwerkingtreding: 07-10-1910
  • Ondertekening: 18-10-1907
  • Publicatie: 06-11-1910