Verdrag tot verbetering van het lot van de gewonden en zieken in de legers te velde

Na 1864 werden meermaals voorstellen geformuleerd om het Verdrag van Genève van 1864 ter verbetering van het lot van de gewonden bij de legers te velde te herzien. Die hebben geleid tot de aanvullende artikels van 1868 (die niet werden geratificeerd) en het verdrag van 1899 om het verdrag tot de oorlogvoering ter zee uit te breiden. De Vredesconferentie van Den Haag van 1899 drukte in haar slotverklaring de wens uit dat een speciale conferentie zou bijeen komen om het verdrag van 1864 te herzien. De Zwitserse overheid organiseerde deze conferentie in 1906. Op basis van de voorstellen van het Internationale Rodekruiscomité werd het nieuwe verdrag aanvaard ter vervanging van het Verdrag van 1864.

Het Verdrag van 1906 werd later vervangen door het Verdrag van Genève van 1929 en 1949. Het bleef van kracht tot 1970 toen Costa Rica, als laatste verdragspartij bij het verdrag van 1906, toetrad tot de Verdragen van Genève van 1949.

De verdragstekst


Gelijkelijk bezield met de wens om, voor zover het van hen afhangt, de van de oorlog onafscheidelijke rampen te verminderen en willend, met dat doel, de bepalingen waaromtrent de 22 augustus 1864 te Genève is overeengekomen, tot verbetering van het lot van de gewonde of zieke krijgslieden in de legers te velde, volmaakter maken en aanvullen;

Hebben beslist te dien einde een nieuwe Overeenkomst te sluiten, en hebben tot hun Gevolmachtigden benoemd, te weten:

 (Aanduiding van de Gevolmachtigden.)

Die, na elkaar hun volmachten te hebben meegedeeld, welke in goede en behoorlijke vorm
zijn bevonden, omtrent het volgende zijn overeengekomen:

Hoofdstuk I - Van de gewonden en zieken

Artikel 1 - Bescherming en verzorging

De militairen en de andere officieel aan de legers verbonden personen, die gewond of ziek zijn, moeten zonder onderscheid van volksaard, gespaard en verzorgd worden door de oorlogvoerende, die hen in zijn macht heeft.

Echter moet de oorlogvoerende, die zich genoodzaakt ziet zieken of gewonden aan zijn tegenstander over te laten, voor zover de militaire omstandigheden het gedogen, een deel van zijn personeel en materieel, die tot de geneeskundige dienst behoren, bij hen laten, om mee te werken tot hun verzorging.

Artikel 2 - Statuut

Behoudens de hun krachtens het vorige artikel te verlenen hulp, zijn de gewonden of zieken van een leger, die in handen van de andere oorlogvoerende zijn gevallen, krijgsgevangenen en zijn de algemene regels van het volkenrecht betreffende gevangenen op hen toepasselijk.

Evenwel blijven de oorlogvoerenden vrij, om onderling ten aanzien van de gewonde of zieke gevangenen zulke uitzonderings- of begunstigingsbepalingen te maken als zij nuttig oordelen; met name hebben zij de bevoegdheid overeen te komen:

Elkaar na een gevecht de op het slagveld achtergelaten gewonden uit te leveren;

De gewonden of zieken die zij niet gevangen willen houden naar hun land terug te zenden, na gezorgd te hebben, dat zij in staat zijn om te worden vervoerd, of na hun genezing;

Aan een onzijdige Staat, met diens goedvinden gewonden of zieken van de tegenpartij uit te leveren onder de op de onzijdige Staat rustende verplichting, hen tot het einde van de vijandelijkheden te interneren.

Artikel 3 - Zoeken en beschermen van gewonden

Na elk gevecht worden door de partij die meester is gebleven van het slagveld, maatregelen genomen om de gewonden op te zoeken en hen evenals de doden, tegen plundering en slechte behandeling te doen beschermen.

Zij zorgt er voor, dat aan het begraven of het verbranden van de doden een nauwkeurig onderzoek van hun lijken voorafgaat.

Artikel 4 - Identificatie van doden

Ieder oorlogvoerende zendt zodra mogelijk aan de overheden van hun land of van hun leger de militaire identiteitstekens of -stukken, op de gesneuvelden gevonden, en de naamlijst van de door hem opgenomen gewonden of zieken.

De oorlogvoerenden houden elkaar op de hoogte van de interneringen en veranderingen, evenals van de opnamen in de hospitalen en van de sterfgevallen die zijn voorgekomen onder de gewonden en de zieken welke zich in hun macht bevinden. Zij verzamelen alle voorwerpen, dienend voor persoonlijk gebruik, voorwerpen van waarde, brieven, enz., die op het slagveld worden gevonden of die worden nagelaten door de gewonden of zieken, welke in de vaste of tijdelijke geneeskundige inrichtingen overleden zijn, ten einde ze aan de belanghebbenden door de overheden van hun land te doen toekomen.

Artikel 5 - Rol van de bevolking

De militaire overheid kan een beroep doen op de menslievendheid van de inwoners om, onder haar toezicht, gewonden en zieken die zich bij de legers bevinden, op te nemen en te verzorgen, in welk geval zij bijzondere bescherming en zekere vrijstelling verleent aan de personen, die aan dat beroep gehoor geven.

Hoofdstuk II - Van de geneeskundige formaties en inrichtingen

Artikel 6 - Bescherming

De mobiele geneeskundige formaties (namelijk die welke bestemd zijn om de legers te velde te begeleiden) en de vaste inrichtingen van de geneeskundigen dienst worden door de oorlogvoerende gespaard en beschermd.

Artikel 7 - Verlies van bescherming

De bescherming, aan de geneeskundige formaties en inrichtingen verschuldigd, houdt op als men er gebruik van maakt tot het verrichten van voor de vijand nadelige handelingen.

Artikel 8 - Omstandigheden waarin geneeskundige formaties hun bescherming niet verliezen

Als redenen die een geneeskundige formatie of inrichting de bescherming, door artikel 6 verzekerd, doen verliezen, worden niet beschouwd:

  1. Het feit, dat het personeel van de formatie of inrichting gewapend is en van zijn wapens gebruik maakt tot verdediging van zichzelf of van zieken en gewonden;
  2. Het feit dat, bij gebrek aan gewapende ziekenverpleging, de formatie of inrichting wordt bewaakt door een piket of door schildwachten, van een behoorlijke schriftelijke lastgeving voorzien;
  3. Het feit, dat bij de formatie of inrichting wapen en patronen worden gevonden, die aan de gewonden zijn ontnomen en nog niet aan de daarvoor aangewezen tak van dienst afgeleverd zijn.

Hoofdstuk III - Van het personeel

Artikel 9 - Statuut

Het personeel, uitsluitend belast met het weghalen, het vervoeren en de behandeling van de gewonden en zieken, alsmede met het beheer van de geneeskundige formaties en inrichtingen, en de aan de legers verbonden veldpredikers, worden onder alle omstandigheden gespaard en beschermd; indien zij de vijand in handen vallen, worden zij niet als krijgsgevangenen behandeld.

Deze bepalingen zijn van toepassing op het bewakingspersoneel van de geneeskundige formaties en inrichtingen in het geval bedoeld in artikel 8, 2.

Artikel 10 - Hulpverenigingen

Met het personeel in het vorig artikel bedoeld, wordt gelijkgesteld het in de geneeskundige formaties en inrichtingen van de legers gebruikt wordend personeel van de behoorlijk door haar regering erkende en toegelaten vrijwillige verenigingen tot hulpbetoon, onder voorbehoud, dat dit personeel onderworpen is aan de militaire wetten en reglementen.

Iedere Staat moet aan de anderen, hetzij reeds in tijd van vrede, hetzij bij de aanvang of gedurende de vijandelijkheden, in elk geval alvorens er enig werkelijk gebruik van te maken, de namen van de verenigingen mededelen die hij heeft bevoegd verklaard om, onder zijn verantwoordelijkheid, aan de officiële geneeskundige dienst van zijn legers haar medewerking te verlenen.

Artikel 11 - Hulpverenigingen van neutrale staten

Een erkende vereniging van een onzijdig land kan de medewerking van haar personeel en van haar sanitaire formaties slechts aan een oorlogvoerende verlenen, na voorafgaande goedkeuring van haar eigen regering en de machtiging van de oorlogvoerende zelf.

De oorlogvoerende die de hulp heeft aangenomen, is gehouden, alvorens daarvan enig gebruik te maken, zijn vijand ermee in kennis te stellen.

Artikel 12 - Medisch personeel in de macht van de tegenpartij

De personen in de artikelen 9, 10 en 11 aangewezen, moeten, nadat zij in de macht van de vijand zijn geraakt, hun werkzaamheden onder diens leiding blijven verrichten.

Wanneer hun medewerking niet meer onmisbaar is, worden zij naar hun leger of naar hun land teruggezonden binnen zodanige tijd en langs zodanige weg als met de militaire eisen verenigbaar is.
Zij nemen dan de voorwerpen, werktuigen, wapens en paarden die hun particulier eigendom zijn, mee.

Artikel 13 - Soldij medisch personeel

De vijand waarborgt aan het personeel bedoeld bij artikel 9, zolang het in zijn macht is, dezelfde vergoedingen en dezelfde soldij als aan het personeel van dezelfde rangen van zijn leger.

Hoofdstuk IV - Van het materieel

Artikel 14 - In de macht van de tegenpartij

De mobiele geneeskundige formaties behouden, als zij in de macht van de vijand vallen, hun materieel, met inbegrip van de bespanningen, van hoedanige aard ook de vervoermiddelen zijn en door welk personeel deze ook worden begeleid.

Evenwel heeft de bevoegde militaire overheid het recht zich er van te bedienen ten behoeve van de gewonden en zieken; de teruggave van het materieel heeft plaats onder de voorwaarden bepaald voor de terugzending van het tot de geneeskundige dienst behorend personeel en, zoveel mogelijk, te gelijker tijd.

Artikel 15 - Verbod wijziging bestemming

De gebouwen en het materieel van de vaste inrichtingen blijven aan de oorlogswetten onderworpen, maar kunnen niet tot een ander doel worden bestemd, zolang zij voor de gewonden en zieken nodig zijn. Evenwel kunnen de bevelhebbers van de opererende troepenafdelingen er over beschikken, ingeval zulks voor gewichtige militaire belangen noodzakelijk is, mits zij van tevoren de gewonden en zieken die zich daarin bevinden in veiligheid stellen.

Artikel 16 - Eigendom van hulpverenigingen

Het materieel van de verenigingen tot hulpbetoon, aan welke de bij het Traktaat geregelde bevoorrechte positie, overeenkomstig de daarin gestelde voorwaarden, is verleend, wordt beschouwd als particulier eigendom en als zodanig onder alle omstandigheden gespaard, behoudens het aan de oorlogvoerenden, volgens de wetten en gebruiken van de oorlog, toegekende recht van rekwisitie.

Hoofdstuk V - Van de ontruimingskonvooien

Artikel 17 - Ontruimingskonvooien

De ontruimingskonvooien worden behandeld evenals de mobiele geneeskundige formaties, behoudens volgende bijzondere bepalingen:

De oorlogvoerende die een konvooi onderschept, mag dit, als zulks voor militaire redenen nodig is, ontbinden, mits hij zich met de zorg voor de aangetroffen zieken en gewonden belast;
In dat geval wordt de verplichting om het tot de geneeskundige dienst behorende personeel, genoemd in artikel 12, terug te zenden, uitgestrekt tot het gehele militaire personeel dat belast is met het vervoer of de bewaking van het konvooi, en dat daartoe van een behoorlijke schriftelijke lastgeving is voorzien.
De verplichting in artikel 14 genoemd, om het tot de geneeskundige dienst behorende materieel terug te geven, geldt ook voor de spoortreinen en binnenschepen, bepaaldelijk voor ontruimingen ingericht, evenals voor het materieel behorend tot de uitrusting van de gewone voertuigen, treinen en schepen, tot de geneeskundige dienst behorend.

De militaire voertuigen niet tot de geneeskundige dienst behorend, kunnen met hun bespanningen worden buitgemaakt.

Het burgerpersoneel en de verschillende vervoermiddelen door rekwisitie verkregen, daaronder begrepen het spoorwegmaterieel en de schepen voor de konvooien gebruikt, zijn aan de algemene regels van het volkenrecht onderworpen.

Hoofdstuk VI - Van het onderscheidingsteken

Artikel 18 - Embleem

Als hulde aan Zwitserland wordt het heraldieke teken van het rode kruis op wit veld, gevormd door de onderlinge verwisseling van de bondskIeuren; als embleem en kenteken van de geneeskundige dienst van de legers behouden.

Artikel 19 - Gebruik van het embleem

Dat embleem bevindt zich, met vergunning van de bevoegde militaire overheid, op de vlaggen, de armbanden en op al het materieel dat tot de geneeskundige dienst behoort.

Artikel 20 - Identificatie van het medisch personeel

Het personeel dat uit kracht van artikelen 9, lid 1, 10 en 11, bescherming geniet, draagt een aan de linkerarm vastgehechte band met het rode kruis op wit veld, verstrekt en gestempeld door de bevoegde militaire overheid, terwijl aan de personen die aan de geneeskundige dienst van de legers zijn verbonden, zonder dat zij het militair uniform dragen, daarenboven een identiteitsbewijs wordt verstrekt.

Artikel 21 - Aanduiding van medische eenheden

De onderscheidingsvlag van het Traktaat kan slechts gehesen worden op de geneeskundige formaties en inrichtingen die krachtens deze worden beschermd, en met toestemming van de militaire overheid. Naast haar zal de nationale vlag van de oorlogvoerende waartoe de formatie of de inrichting behoort, gehesen moeten worden.

Evenwel mogen de geneeskundige formaties, die in de macht van de vijand zijn gevallen, zolang zij zich in die toestand bevinden, geen andere vlag hijsen als die van het Rode Kruis.

Artikel 22 - Aanduiding van medische eenheden van neutrale landen

De geneeskundige formaties van de onzijdige landen die, op de voorwaarden in artikel 11 bedoeld, zijn toegelaten om haar diensten te verlenen, moeten, met de vlag van het Traktaat, de nationale vlag van de oorlogvoerende hijsen bij wie zij zijn ingedeeld.

De bepalingen van het tweede lid van het vorig artikel zijn op haar toepasselijk.

Artikel 23 - Beperking op het gebruik van het embleem

Het embleem van het rode kruis op wit veld en de woorden Rode Kruis of Kruis van Genève, kunnen zowel in tijd van vrede als in tijd van oorlog, slechts gebruikt worden ter bescherming of ter onderkenning van de geneeskundige formaties en inrichtingen en van het personeel en materieel welke onder de bescherming staan van dit Traktaat.

Hoofdstuk VII - Van de toepassing en de uitvoering van het traktaat

Artikel 24 - Toepassinggebied

De bepalingen van dit Traktaat zijn slechts verbindend voor de contracterende Mogendheden, in geval van oorlog tussen twee of meer van haar. Die bepalingen houden op verbindend te zijn op het ogenblik dat een Mogendheid, die het Traktaat niet getekend heeft, een van de oorlogvoerenden is.

Artikel 25 - Uitvoering

De opperbevelhebbers van de oorlogvoerende legers moeten de bijzonderheden, betreffende de uitvoering van de voorgaande artikelen, evenals de niet voorziene gevallen, regelen volgens de voorschriften van hun respectieve regeringen en overeenkomstig de algemene beginselen van dit Traktaat.

Artikel 26 - Verspreiding

De regeringen die getekend hebben, treffen de nodige maatregelen om haar troepen, en in het bijzonder het beschermde personeel, met de bepalingen van dit Traktaat bekend te maken en ze onder de aandacht van de bevolking te brengen.

Hoofdstuk VIII - Van het tegengaan van misbruiken en inbreuken

Artikel 27 - Misbruik van het embleem

De regeringen die getekend hebben en van wie de wetgeving thans nog niet voldoende is, verbinden zich de nodige maatregelen te nemen, of aan haar wetgevende lichamen voor te stellen, ten einde te allen tijde te verhinderen het gebruik door particulieren of door niet krachtens dit Traktaat daartoe gerechtigde verenigingen, van het embleem of de naam van Rode Kruis of Kruis van Genève, in het bijzonder voor handelsdoeleinden door middel van fabrieks- en handelsmerken.

Het verbod, om het embleem of de naam waarvan hier sprake is, te gebruiken, is van kracht van het tijdstip af door elke wetgeving aangegeven, en uiterlijk 5 jaar na het in werking treden van dit traktaat. Dadelijk na dit in werking treden zal het niet meer geoorloofd zijn een fabrieks- of handelsmerk in strijd met het verbod aan te nemen.

Artikel 28 - Bestraffing van inbreuken

De regeringen die getekend hebben, verbinden zich eveneens om, in geval van onvoldoendheid van haar militaire strafwetten, de nodige maatregelen te nemen of aan haar wetgevende lichamen voor te stellen, om in tijd van oorlog de individuele daden van plundering en slechte behandeling van gewonden en zieken, tot de legers behorend, tegen te gaan, alsook om als ongeoorloofd gebruik van militaire waardigheidstekenen te straffen, het misbruik maken van de vlag en de armband van het Rode Kruis door militairen of particulieren, niet beschermd door dit Traktaat.

Zij zullen aan elkaar, door tussenkomst van de Zwitserse Bondsraad, de bepalingen tegen deze feiten meedelen, ten laatste binnen de vijf jaar na de bekrachtiging van dit Traktaat.

Algemene bepalingen

Artikel 29 - Bekrachtiging

Dit Traktaat zal zo spoedig mogelijk worden bekrachtigd.

De akten van bekrachtiging zullen te Bern worden neergelegd.

Van de neerlegging van elke akte van bekrachtiging zal een proces-verbaal worden opgemaakt, waarvan een voor eensluidend verklaarde afdruk langs diplomatieke weg aan alle contracterende Mogendheden zal worden toegezonden.

Artikel 30 - Inwerkingtreding

Dit Traktaat zal voor elke Mogendheid in werking treden zes maanden na de datum van het neerleggen van haar akte van bekrachtiging.

Artikel 31 - Betrekking tot andere verdragen

Dit Traktaat zal, zodra het behoorlijk bekrachtigd is, het Traktaat van 22 augustus 1864 nopens de betrekkingen tussen de contracterende Staten vervangen.

Het Traktaat van 1864 blijft van kracht ten aanzien van de betrekkingen tussen de Partijen die het getekend hebben en die niet eveneens dit Traktaat bekrachtigen.

Artikel 32 - Ondertekening

Dit Traktaat zal tot 18 december van dit jaar getekend kunnen worden door de Mogendheden, vertegenwoordigd op de Conferentie die de 11de juni 1906 te Genève is geopend, zomede door de Mogendheden die niet op die Conferentie vertegenwoordigd waren, maar het Traktaat van 1864 ondertekend hebben.

De hierboven bedoelde Mogendheden welke dit Traktaat op 31 december 1906 niet getekend hebben zullen vrij blijven later, tot het Traktaat toe te treden. Zij zullen haar toetreding moeten meedelen door middel van een schriftelijke kennisgeving, gericht tot de Zwitserse Bondsraad, en door deze aan alle contracterende Mogendheden meegedeeld.

De andere Mogendheden kunnen in dezelfde vorm vragen om te mogen toetreden, maar hun verzoek zal slechts gevolg hebben, indien binnen een tijdverloop van één jaar, te rekenen van de kennisgeving aan de Bondsraad, door geen van de contracterende Mogendheden daartegen bij hem verzet is gedaan.

Artikel 33 - Opzegging

Elk van de contracterende Partijen zal de bevoegdheid hebben dit Traktaat op te zeggen. Deze opzegging zal eerst gevolg hebben één jaar na de schriftelijke kennisgeving aan de Zwitserse Bondsraad; deze zal haar onmiddellijk meedelen aan alle andere contracterende Partijen.

Deze opzegging zal slechts gelden ten aanzien van de Mogendheid, die daarvan kennis heeft gegeven.

Ten blijke waarvan de Gevolmachtigden deze Overeenkomst hebben ondertekend en er hun zegel hebben op afgedrukt.

Gedaan te Genève, op 6 juli 1906, in een enkel exemplaar, welk zal blijven berusten in het archief van het Zwitserse Bondgenootschap en waarvan voor eensluidend gewaarmerkte afschriften langs diplomatieke weg aan de Verdragstaten zullen worden overgemaakt.

Stel je vraag

  • Geboortedatum

  • verzend

Detail

  • Plaats: Genève
  • Aangenomen: 06-07-1906
  • Inwerkingtreding: 09-08-1907

In België

  • Ratificatie: 27-08-1907
  • Inwerkingtreding: 28-02-1908
  • Ondertekening: 06-07-1906
  • Publicatie: 19-09-1907