Verdrag (IV) nopens de wetten en gebruiken van de oorlog te land

Tijdens de Eerste Vredesconferentie van Den Haag van 1899 werden een Verdrag over de oorlog te land en een bijkomend Reglement aanvaard. Het Verdrag en het Reglement werden herzien tijdens de Tweede Internationale Vredesconferentie in 1907. De twee versies van de Verdragen en de Reglementen verschillen slechts licht van elkaar. Zeventien landen die het Verdrag van 1899 ratificeerden, deden dit niet voor het Verdrag van 1907: Argentinië, Bulgarije, Chili, Colombia, Ecuador, Griekenland, Italië, Korea, Montenegro, Paraguay, Perzië, Peru, Servië, Spanje, Turkije, Uruguay, Venezuela. Deze staten of hun opvolgingsstaten zijn formeel nog steeds gebonden door het Verdrag van 1899 in hun relaties met de andere partijen (zie artikel 4 van het Verdrag van 1907).

De voorzieningen van de twee Verdragen over de oorlog te land, zoals trouwens de meeste substantiële voorzieningen van de Verdragen van Den Haag van 1899 en 1907, worden beschouwd als internationaal gewoonterecht. Aldus zijn ze ook bindend voor staten die er formeel geen partij bij zijn. In 1946 bevestigde het Internationaal Militair Tribunaal van Nüremberg in verband met de Haagse Verdragen over oorlog te land van 1907: “De regels over oorlog te land, uitgedrukt in het Verdrag vormden ontegensprekelijk een vooruitgang tegenover het bestaande internationale recht op het ogenblik van hun aanvaarding (…) maar tegen 1939 werden deze regels (…) erkend door alle beschaafde landen als uitspraken van de wetten en gebruiken van de oorlog.” Het Internationaal Militair Tribunaal voor het Verre Oosten sprak zich in dezelfde zin uit in 1948.

De regels vervat in de Reglementen werden gedeeltelijk bevestigd en uitgebreid in de Aanvullende Protocollen van 1977 bij de Verdragen van Genève van 1949.

De verdragstekst

(aanduiding van de verdragsluitende Mogendheden)

Overwegend dat, hoezeer ook wordt uitgezien naar middelen tot vrijwaring van de vrede en tot vermijden van oorlog tussen de volken, toch ook het geval moet worden voorzien, dat gebeurtenissen, die door hun zorg niet konden worden afgewend, aanleiding mochten geven tot beroep op de wapens;

Bezield met het verlangen, ook in dit uiterste geval, de belangen van de mensheid en de steeds toenemende eisen van de beschaving te dienen;

Oordelend dat het te dien einde nodig is de wetten en algemene gebruiken van de oorlog te herzien, hetzij met het doel deze nauwkeuriger te omschrijven, hetzij om daaraan zekere grenzen te stellen, bestemd om de hardheid ervan zoveel mogelijk te beperken;

Hebben het nodig geoordeeld op zekere punten aan te vullen en nader te bepalen het werk van de eerste Vredesconferentie, die ten gevolge van de Conferentie van Brussel van 1874, bezield door deze door een wijze en edelmoedige voorzorg aanbevolen overwegingen, voorschriften heeft aangenomen die tot doel hebben de gebruiken van de oorlog te land te omschrijven en te regelen.

Volgens de opvatting van de Hoge Verdragsluitende Partijen, zijn deze voorschriften, bij welke vaststelling als hoofdzaak de wens gold om de rampen van de oorlog te verminderen, in zoverre de oorlogsnoodzaak dit toelaat, bestemd om tot algemeen richtsnoer te strekken voor de oorlogvoerenden in hun betrekkingen tot elkaar en tot de bevolkingen.

Het is evenwel niet mogelijk geweest thans reeds voorschriften te beramen, toepasselijk op al de omstandigheden, welke zich in de werkelijkheid voordoen.

Intussen kon het niet in de bedoeling van de Hoge Verdragsluitende Partijen liggen, dat de niet voorziene gevallen, bij gebrek aan een geschreven bepaling zouden zijn overgelaten aan de willekeurige beoordeling van hen, die de legers aanvoeren.

In afwachting dat een meer volledige wetboek voor de oorlog kan worden uitgevaardigd, achten de Hoge Verdragsluitende Partijen het gepast te verklaren, dat in de gevallen, welke niet begrepen zijn in de door haar aangenomen reglementsbepalingen, de bevolkingen en oorlogvoerenden verblijven onder de bescherming en de heerschappij van de beginselen van het volkenrecht, zoals die voortvloeien uit de tussen beschaafde volkeren gevestigde gebruiken, de wetten van de menselijkheid en de eisen van het openbare rechtsbewustzijn.

Zij verklaren dat inzonderheid artikelen 1 en 2 van het door haar aangenomen reglement in die zin moeten worden opgevat.

De Hoge Verdragsluitende Partijen, wensend met dat doel een verdrag te sluiten, hebben tot haar Gevolmachtigden benoemd, te weten:

(aanduiding van de Gevolmachtigden)

Die, na hun volmachten te hebben neergelegd, welke in goede en behoorlijke vorm zijn bevonden, omtrent het volgende zijn overeengekomen:

Artikel 1 - Verspreiding

De verdragsluitende Mogendheden verstrekken aan hun krijgsmachten te land voorschriften die overeenkomen met het bij dit Verdrag gevoegde Reglement betreffende de wetten en gebruiken van de oorlog te land.

Artikel 2 - Toepassingsgebied

De bepalingen vervat in het bij artikel 1 bedoelde Reglement en in dit Verdrag, zijn slechts van toepassing tussen de verdragsluitende Mogendheden en slechts indien de oorlogvoerenden allen partij zijn bij het Verdrag.

Artikel 3 - Schending

De oorlogvoerende Partij die de bepalingen van genoemd Reglement schendt, is, indien daardoor schade is geleden, tot schadeloosstelling gehouden. Zij is verantwoordelijk voor alle feiten gepleegd door de personen, die van haar gewapende macht deel uitmaken.

Artikel 4 - Betrekking tot vorige Verdragen

Dit Verdrag vervangt voor de betrekkingen tussen de verdragsluitende Mogendheden, na behoorlijke bekrachtiging, het Verdrag van 29 juli 1899, betreffende de wetten en gebruiken van de oorlog te land.
Het Verdrag van 1899 blijft van kracht voor de betrekkingen tussen de Mogendheden die het getekend hebben en niet eveneens dit Verdrag bekrachtigen.

Artikel 5 - Bekrachtiging

Dit Verdrag zal zo spoedig mogelijk worden bekrachtigd.

De akten van bekrachtiging zullen in Den Haag worden neergelegd.

De eerste neerlegging van akten van bekrachtiging zal vastgesteld worden door een proces-verbaal, getekend door de vertegenwoordigers van de Mogendheden die er aan deelnemen en door de Nederlandse Minister van Buitenlandse Zaken.

De latere neerlegging van akten van bekrachtiging zullen plaats hebben door middel van een geschreven kennisgeving gericht aan de Nederlandse Regering en vergezeld van de oorkonde van bekrachtiging.

Een gewaarmerkt afschrift van het proces-verbaal van de eerste neerlegging van akten van bekrachtiging, van de in het voorgaande lid vermelde kennisgevingen, alsmede van de oorkonden van bekrachtiging, zal door de zorgen van de Nederlandse Regering en langs diplomatieke weg onmiddellijk worden overgemaakt aan de Mogendheden, uitgenodigd tot de Tweede Vredesconferentie, alsmede aan de andere Mogendheden die tot het Verdrag zullen zijn toegetreden. In de gevallen in het voorgaande lid bedoeld, zal genoemde Regering haar tegelijkertijd de datum doen kennen waarop zij de kennisgeving ontvangen heeft.

Artikel 6 - Toetreding

De niet ondertekenende Mogendheden zijn bevoegd tot dit Verdrag toe te treden.

De Mogendheid die wenst toe te treden geeft van haar bedoeling schriftelijk kennis aan de Nederlandse Regering, onder overmaking van de akte van toetreding, die in de archieven van genoemde Regering wordt neergelegd.

Deze Regering doet onmiddellijk aan alle andere Mogendheden een gewaarmerkt afschrift toekomen van de kennisgeving, alsmede van de akte van toetreding, met aangifte van de datum waarop zij de kennisgeving heeft ontvangen.

Artikel 7 - Inwerkingtreding

Dit Verdrag treedt in werking voor de Mogendheden die aan de eerste neerlegging van akten van bekrachtiging hebben deelgenomen, zestig dagen na de dagtekening van het proces-verbaal van neerlegging en voor de Mogendheden, die later de akten van bekrachtiging neerleggen of toetreden, zestig dagen nadat de kennisgeving van de neerlegging van haar akten van bekrachtiging of van haar toetreding door de Nederlandse Regering is ontvangen.

Artikel 8 - Opzegging

Moest een van de Hoge Verdragsluitende Mogendheden dit Verdrag willen opzeggen, dan wordt deze opzegging schriftelijk ter kennis gebracht van de Nederlandse Regering, die onmiddellijk een gewaarmerkt afschift van kennisgeving doet geworden aan al de andere Mogendheden en haar daarbij de datum van ontvangst doet kennen.

De opzegging heeft slechts gevolg ten opzichte van de Mogendheid die er kennis van heeft gegeven en één jaar nadat de kennisgeving ervan de Nederlandse Regering heeft bereikt.

Artikel 9 - Registratie

Een register, gehouden door het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken, wijst de datum aan van neerlegging van de akten van bekrachtiging, geschied ingevolge artikel 5, lid 3 en 4, alsmede de datum waarop de kennisgeving van toetreding (artikel 6, lid 2) of van opzegging (artikel 8, lid 1) zijn ontvangen.

Iedere verdragsluitende Mogendheid is bevoegd kennis te nemen van dit register en er gewaarmerkte uittreksels uit te vragen.

Ten blijke waarvan de Gevolmachtigden dit Verdrag van hun ondertekening hebben voorzien.

Gedaan te Den Haag, op 18 oktober 1907, in enkelvoudig exemplaar, dat neergelegd blijft in de archieven van de Nederlandse Regering en waarvan gewaarmerkte afschriften langs diplomatieke weg worden overgemaakt aan de Mogendheden die tot de Tweede Vredesconferentie zijn uitgenodigd geworden.

Stel je vraag

  • Geboortedatum

  • verzend

Detail

  • Plaats: Den Haag
  • Aangenomen: 18-10-1907
  • Inwerkingtreding: 26-01-2010

In België

  • Ratificatie: 06-08-2010
  • Inwerkingtreding: 07-10-1910
  • Ondertekening: 18-10-1907
  • Publicatie: 06-11-1910