Verdrag inzake het verbod van militair of enig ander vijandelijk gebruik van milieuveranderingstechnieken

 
Het Verdrag inzake het verbod van militair of enig ander vijandelijk gebruik van milieuveranderingstechnieken kwam tot stand binnen het kader van de Verenigde Naties. Het bestaat uit 10 artikels en een bijlage over de overlegcommissie van deskundigen. Het verdrag trad in werking op 5 oktober 1978.

In september 1984  vond de eerste herzieningsconferentie in Genève plaats.

Artikel 1 van het verdrag verbiedt het “militair of enig ander vijandelijk gebruik van milieuveranderingstechnieken die wijdverspreide, langdurige of ernstige gevolgen hebben”.

Er moet opgemerkt worden dat de adjectieven ‘wijdverspreid’, ’langdurig’ en ‘ernstig’  - hoewel ze terugkomen in het Eerste Aanvullende Protocol van 1977 en de preambule van het Conventioneel Wapenverdrag van 1980 - niet op dezelfde manier geïnterpreteerd worden.

De verdragstekst

Artikel 1 - Algemene verplichting
Artikel 2 - Definitie
Artikel 3 - Niet-verboden activiteiten
Artikel 4 - Nationale uitvoeringsmaatregelen
Artikel 5 - Interpretatie en geschillenregeling
Artikel 6 - Wijziging
Artikel 7 - Duur
Artikel 8 - Toetsingsconferentie
Artikel 9 - Ondertekening, bekrachtiging, toetreding, inwerkingtreding en registratie
Artikel 10 - Authentieke tekst
De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag,

Geleid door het belang van het versterken van de vrede en door de wens bij te dragen aan het tot staan brengen van de bewapeningswedloop en het verwezenlijken van algemene en volledige ontwapening, onder strikt en doeltreffend internationaal toezicht, en aan het behoeden van de mensheid voor het gevaar van het gebruik van nieuwe middelen van oorlogvoering,

Vastbesloten onderhandelingen voort te zetten om daadwerkelijke vooruitgang te bereiken op de weg naar verdere maatregelen op het gebied van de ontwapening,

Erkennende dat wetenschappelijke en technische vorderingen nieuwe mogelijkheden kunnen bieden met betrekking tot de verandering van het milieu,

In herinnering brengende de Verklaring van de Conferentie van de Verenigde Naties inzake het Leefmilieu, die op 16 juni 1972 te Stockholm werd aangenomen,

In het besef dat het gebruik van milieuveranderingstechnieken voor vreedzame doeleinden de onderlinge relatie tussen de mens en de natuur zou kunnen verbeteren en zou kunnen bijdragen tot het behoud en de verbetering van het milieu ten bate van de huidige en toekomstige generaties,

Erkennende dat militair of enig ander vijandelijk gebruik van zodanige technieken buitengewoon schadelijke gevolgen zou kunnen hebben voor het welzijn van de mens,

Geleid door de wens militair of enig ander vijandelijk gebruik van milieuveranderingstechnieken op doeltreffende wijze te verbieden, ten einde de gevaren die een zodanig gebruik voor de mensheid met zich brengt, weg te nemen en hun bereidheid bevestigend te werken aan de verwezenlijking van dit doel,

Tevens geleid door de wens bij te dragen aan de versterking van het vertrouwen tussen de volken onderling en aan een verdere verbetering van de internationale toestand in overeenstemming met de doeleinden en beginselen van het Handvest van de Verenigde Naties,

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1 - Algemene verplichting
Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag verbindt zich ertoe zich te onthouden van militair of enig ander vijandelijk gebruik van milieuveranderingstechnieken die wijdverspreide, langdurige of ernstige gevolgen hebben als middelen tot vernietiging, het berokkenen van schade of nadeel aan enige andere Staat die partij is.
Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag verbindt zich ertoe geen enkele Staat, groep van Staten of internationale organisatie te steunen, aan te moedigen of ertoe te bewegen, activiteiten te ontplooien die in strijd zijn met het bepaalde in het eerste lid van dit Artikel.

Artikel 2 - Definitie
Met de term “milieuveranderingstechnieken”, zoals gebezigd in Artikel 1, wordt bedoeld enigerlei techniek voor het veranderen – door middel van opzettelijke manipulatie van natuurlijke processen – van de dynamica, de samenstelling of de structuur van de aarde, waaronder begrepen de flora en fauna, de lithosfeer, de hydrosfeer en de atmosfeer, dan wel van de kosmische ruimte.

Artikel 3 - Niet-verboden activiteiten
De bepalingen van dit Verdrag vormen geen belemmering voor het gebruik van milieuveranderingstechnieken voor vreedzame doeleinden en doen geen afbreuk aan algemeen erkende beginselen en geldende regels van internationaal recht betreffende een zodanig gebruik.
De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich tot het vergemakkelijken van, en hebben het recht deel te nemen aan, een zo uitgebreid mogelijke uitwisseling van wetenschappelijke en technologische gegevens betreffende het gebruik van milieuveranderingstechnieken voor vreedzame doeleinden. Staten die partij zijn en die hiertoe in staat zijn, dragen alleen, of tezamen met andere Staten of internationale organisaties, bij aan internationale economische en wetenschappelijke samenwerking ter zake van het behoud, de verbetering en het vreedzaam gebruik van het milieu, daarbij naar behoren rekening houdend met de behoeften van de ontwikkelingsgebieden in de wereld.

Artikel 4 - Nationale uitvoeringsmaatregelen
Elke Staat die Partij is bij dit Verdrag verbindt zich ertoe, in overeenstemming met zijn constitutionele procedures alle maatregelen te treffen, welke hij noodzakelijk acht, om enigerlei activiteit die in strijd is met de bepalingen van dit Verdrag overal binnen zijn rechts- of machtsgebied te verbieden en te voorkomen.

Artikel 5 - Interpretatie en geschillenregeling
De Staten die Partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich ertoe onderling overleg te plegen en samen te werken bij het oplossen van problemen die kunnen rijzen met betrekking tot de doelstellingen van, of bij de toepassing van de bepalingen van dit Verdrag. Overleg en samenwerking ingevolge dit Artikel kunnen tevens plaatsvinden door middel van passende internationale procedures binnen het kader van de Verenigde Naties en in overeenstemming met het Handvest ervan. Deze internationale procedures kunnen de diensten van geëigende internationale organisaties omvatten, alsook van een Commissie van overleg van deskundigen, zoals bepaald in het tweede lid van dit artikel.
Voor de toepassing van het bepaalde in het eerste lid van dit Artikel roept de depositaris, binnen een maand na ontvangst van een verzoek van een Staat die partij is, een Commissie van overleg van deskundigen bijeen. Elke Staat die partij is mag een deskundige in deze Commissie benoemen, wier taken en huishoudelijk reglement zijn omschreven in de bijlage, die een integrerend deel van dit Verdrag vormt. De Commissie doet aan de depositaris een samenvatting toekomen van de uitkomsten van haar onderzoek naar de feiten, waarin alle aan de Commissie in de loop van haar werkzaamheden voorgelegde standpunten en gegevens zijn opgenomen. De depositaris zendt deze samenvatting toe aan alle Staten die partij zijn.

Elke Staat die partij is bij dit Verdrag en die redenen heeft aan te nemen dat een andere Staat die partij is in strijd handelt met de uit de bepalingen van het Verdrag voortvloeiende verplichtingen, kan een klacht indienen bij de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties. Een zodanige klacht dient vergezeld te gaan van alle ter zake dienende gegevens, alsook van al het mogelijke bewijsmateriaal ter staving van de gegrondheid ervan.
Elke Staat die partij is bij dit Verdrag verbindt zich ertoe samen te werken bij het uitvoeren van enigerlei onderzoek dat door de Veiligheidsraad overeenkomstig de bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties kan worden ingesteld op basis van de door de Raad ontvangen klacht. De Veiligheidsraad brengt de resultaten van het onderzoek ter kennis van de Staten die partij zijn bij het Verdrag.

Elke Staat die partij is bij dit Verdrag verbindt zich ertoe, overeenkomstig de bepalingen van het Handvest van de Verenigde Naties, steun te verlenen of te helpen verlenen aan iedere partij bij het Verdrag die hierom verzoekt, indien de Veiligheidsraad besluit, dat een zodanige partij schade heeft ondervonden of naar alle waarschijnlijkheid zal ondervinden als gevolg van schending van het Verdrag.

Artikel 6 - Wijziging
Elke Staat die partij is bij dit Verdrag kan wijzigingen van het Verdrag voorstellen. De tekst van elke voorgestelde wijziging wordt voorgelegd aan de depositaris, die deze onverwijld rondzendt aan alle Staten die Partij zijn.
Een wijziging treedt in werking voor alle Staten die partij zijn en deze hebben aanvaard, na neerlegging bij de depositaris van de akten van aanvaarding door een meerderheid van de Staten die partij zijn. Daarna treedt de wijziging voor elke overige Staat die partij is in werking op de datum van neerlegging van diens akte van aanvaarding.

Artikel 7 - Duur
Dit Verdrag is van onbeperkte duur.

 

Artikel 8 - Toetsingsconferentie
Vijf jaar na de inwerkingtreding van dit Verdrag, wordt door de depositaris te Genève een conferentie belegd van de Staten die partij zijn bij het Verdrag. Deze conferentie onderwerpt de werking van het Verdrag aan een onderzoek, ten einde te verzekeren dat de doelstellingen en bepalingen ervan worden verwezenlijkt en zij stelt in het bijzonder een onderzoek in naar de doeltreffendheid van het bepaalde in Artikel 1, eerste lid, wat betreft het wegnemen van de gevaren van militair of enig ander vijandelijk gebruik van milieuveranderingstechnieken.

Met tussenpozen van niet minder dan vijf jaar daarna, kan een meerderheid van de Staten die Partij zijn bij dit Verdrag, door het indienen van een hiertoe strekkend voorstel bij de depositaris, een conferentie met dezelfde doelstellingen doen beleggen.

Indien er binnen tien jaar na beëindiging van een voorgaande toetsingsconferentie niet ingevolge het tweede lid van dit Artikel opnieuw een zodanige conferentie is belegd, verzoekt de depositaris alle Staten die Partij zijn bij dit Verdrag hun mening kenbaar te maken omtrent het houden van zulk een conferentie. Indien een derde, dan wel tien van de Staten die partij zijn – welk aantal het kleinst is – positief reageren, neemt de depositaris onverwijld maatregelen om de conferentie te beleggen.

Artikel 9 - Ondertekening, bekrachtiging, toetreding, inwerkingtreding en registratie
Dit Verdrag staat open voor ondertekening voor alle Staten. Een Staat die het Verdrag niet ondertekent voor de inwerkingtreding overeenkomstig het derde lid van dit artikel, kan hiertoe te allen tijde toetreden.

Dit Verdrag dient door de ondertekenende Staten te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging en de akten van toetreding worden neergelegd bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties.
Dit Verdrag treedt in werking na de neerlegging van de akten van bekrachtiging door 20 Regeringen, bij de depositaris overeenkomstig het tweede lid van dit artikel.
Voor Staten die hun akten van bekrachtiging of van toetreding neerleggen na de inwerkingtreding van dit verdrag, treedt het in werking op de datum van neerlegging van hun akten van bekrachtiging of van toetreding.

De depositaris stelt alle Staten die het Verdrag hebben ondertekend of ertoe zijn toegetreden onverwijld in kennis van de datum van elke ondertekening, de datum van neerlegging van elke akte van bekrachtiging of toetreding alsmede van de datum van inwerkingtreding van dit Verdrag, en van alle wijzigingen ervan, alsook van de ontvangst van andere kennisgevingen.
Dit Verdrag wordt door de depositaris geregistreerd overeenkomstig Artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties.

Artikel 10 - Authentieke tekst
Dit Verdrag, waarvan de Arabische, de Chinese, de Engelse, de Franse, de Russische en de Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt neergelegd bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties, die daarvan gewaarmerkte afschriften doet toekomen aan de Regeringen van de Staten die het Verdrag hebben ondertekend of ertoe zijn toegetreden.

 Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd door hun onderscheiden Regeringen, dit Verdrag hebben ondertekend, dat is opengesteld voor ondertekening te Genève op 18 mei 1977.

Stel je vraag

  • Geboortedatum

  • verzend

Detail

  • Plaats: New York
  • Aangenomen: 10-12-1976
  • Inwerkingtreding: 05-10-1978

In België

  • Ratificatie: 12-07-1982
  • Inwerkingtreding: 12-07-1982
  • Ondertekening: 15-05-1977
  • Publicatie: 02-11-1982
  • Geen voorbehoud of verklaring