Tweede Protocol inzake het Verdrag van 's-Gravenhage van 1954 inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict


Algemene bescherming: Het Verdrag van 1954 werd geruime tijd vóór de Protocollen van 1977 aangenomen. Het is opgesteld in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog, toen het nog steeds onvermijdelijk werd geacht dat hele steden aangevallen zouden worden. Het verdrag van 1954 was bedoeld om in dergelijke context kostbare culturele goederen te beschermen. Het bepaalt dat culturele goederen niet aangevallen mogen worden, behalve in geval van « dwingende militaire noodzaak », zonder evenwel deze uitzondering te definiëren. Het Eerste Aanvullend Protocol van 1977 heeft tot een andere benadering geleid. Sindsdien mogen uitsluitend militaire doelwitten – duidelijker gedefinieerd en met meer zorg bepaald – aangevallen worden. Het werd vanzelfsprekend geacht dat elke verbetering van het verdrag van 1954 deze moderne benadering diende te weerspiegelen: culturele goederen zijn burgerlijke goederen en mogen niet aangevallen worden, behalve als zij een militair doelwit worden. Bovendien mogen culturele goederen slechts aangevallen worden als er geen ander bruikbaar alternatief voorhanden is. De bijwerking van het verdrag van 1954 in het licht van Protocol I heeft eveneens geleid tot het opnemen van de in Protocol I beschreven voorschriften inzake bij een aanval te nemen voorzorgsmaatregelen.

Versterkte bescherming: Aangezien het systeem van de bijzondere bescherming, voorzien in 1954, nooit behoorlijk heeft gefunctioneerd, heeft het Tweede Protocol een nieuw stelsel ingevoerd. Een cultureel goed van zeer grote betekenis voor de mensheid kan onder versterkte bescherming worden gesteld indien het, beschermd wordt door passend nationaal recht en niet wordt aangewend voor militaire doeleinden of ter bescherming van militaire sites. De versterkte bescherming wordt verleend vanaf het ogenblik van inschrijving op de Lijst van culturele goederen onder versterkte bescherming. Het besluit hiertoe wordt genomen door het Comité ter bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict, een krachtens het nieuwe Protocol ingesteld intergouvernementeel comité.

Tenuitvoerlegging: Een andere ontwikkeling die wordt weerspiegeld in het nieuwe Protocol is de versterking van de strijd tegen straffeloosheid door een effectieve strafrechtelijke vervolging van oorlogsmisdadigers. Het Protocol definieert uitdrukkelijk vijf ernstige schendingen waarvoor het een individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid heeft ingesteld. De Staten verbinden zich tot het aanvaarden van passende wetten om deze schendingen tot misdrijven volgens het nationale recht te maken, passend te bestraffen en hun rechtsmacht over deze misdrijven te vestigen, inclusief een universele rechtsmacht over drie van de vijf ernstige schendingen. De lijst van ernstige schendingen gaat aanzienlijk verder dan de huidige wetten.

Toepassingsgebied: Het Tweede Protocol is gelijkelijk van toepassing op internationale en niet-internationale gewapende conflicten. De uitbreiding van de toepassing van het Tweede Protocol tot niet-internationale gewapende conflicten is van essentieel belang.

De verdragstekst

De Partijen,

Zich bewust van de noodzaak de culturele goederen beter te beschermen in geval van een gewapend conflict en te voorzien in een stelsel van versterkte bescherming ten gunste van de specifiek aangewezen culturele goederen;

Opnieuw bevestigend het belang van de bepalingen van het Verdrag inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict, aangenomen te 's-Gravenhage op 14 mei 1954 en de nadruk leggend op de noodzaak deze bepalingen aan te vullen met maatregelen die de uitvoering ervan versterken;

Geleid door de wens de Hoge Verdragsluitende Partijen bij het Verdrag een middel te bieden om via passende procedures nauwer te worden betrokken bij de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict;

Overwegende dat de regels inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict een weerspiegeling zouden moeten zijn van de ontwikkelingen van het internationaal recht;

Bevestigend dat de regels van het internationaal gewoonterecht de aangelegenheden blijven beheersen die in dit Protocol niet zijn geregeld;

hebben overeengekomen als volgt :

Hoofdstuk 1. – Inleiding
Artikel 1 - Definities
Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder :

« Partij », een Verdragsluitende Partij bij dit Protocol;
« culturele goederen », de culturele goederen zoals omschreven in artikel 1 van het Verdrag;
« Verdrag », het Verdrag inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict, aangenomen te 's-Gravenhage op 14 mei 1954;
« Hoge Verdragsluitende Partij », een Verdragsluitende Partij bij het Verdrag;
« versterkte bescherming », het stelsel van versterkte bescherming ingevoerd krachtens de artikelen 10 en 11;
« militair doelwit », een object dat gelet op de aard, de ligging, de bestemming of de aanwending ervan daadwerkelijk bijdraagt tot de militaire actie en waarvan de totale en gedeeltelijke vernietiging, de inpalming of de neutralisering in dit geval een specifiek militair voordeel biedt;
« ongeoorloofd », uitgeoefend onder dwang of anderszins, in strijd met de toepasselijke regels van het nationaal recht van het bezette grondgebied of van het internationaal recht;
« Lijst », de internationale lijst van culturele goederen onder versterkte bescherming, opgesteld overeenkomstig artikel 27, paragraaf 1, lid b) ;
« directeur-generaal », de directeur-generaal van UNESCO;
« UNESCO », de Organisatie van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur;
« eerste Protocol », het Protocol inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict, aangenomen te 's-Gravenhage op 14 mei 1954.

Artikel 2 - Verhouding tot het Verdrag
Dit Protocol is een aanvulling op het Verdrag met betrekking tot de verhoudingen tussen de Partijen.

Artikel 3 - Toepassingsgebied
Dit Protocol is van toepassing op de situaties bedoeld in artikel 18, paragraaf 1 en
2, van het Verdrag en in artikel 22, paragraaf 1, met uitzondering van de bepalingen die gelden in vredestijd.
Indien een van de partijen bij een gewapend conflict niet is gebonden door dit Protocol, blijven de Partijen bij dit Protocol erdoor gebonden in het kader van hun onderlinge betrekkingen. Zij zijn bovendien door dit Protocol gebonden in het kader van hun betrekkingen met een Verdragsluitende Partij die niet gebonden is door dit Protocol, indien zij de bepalingen ervan aanvaardt en zolang zij deze toepast.

Artikel 4 - Verhoudingen tussen hoofdstuk 3 en andere bepalingen van het Verdrag en van dit Protocol
De toepassing van de bepalingen van hoofdstuk 3 van dit Protocol doet geen afbreuk aan :

  • de toepassing van de bepalingen van hoofdstuk I van het Verdrag en van hoofdstuk 2 van dit Protocol;
  • de toepassing van hoofdstuk II van het Verdrag zowel tussen de Partijen bij dit Protocol als tussen een Partij en een Staat die dit Protocol aanvaardt en toepast overeenkomstig artikel 3, paragraaf 2, met dien verstande dat wanneer een cultureel goed zowel onder speciale als onder versterkte bescherming wordt gesteld enkel de bepalingen inzake de versterkte bescherming worden toegepast.

Hoofdstuk 2. - Algemene bepalingen inzake de bescherming
Artikel 5 - Veiligstelling van culturele goederen
De voorbereidende maatregelen die overeenkomstig artikel 3 van het Verdrag in vredestijd zijn genomen met het oog op de veiligstelling van de culturele goederen tegen de voorspelbare gevolgen van een gewapend conflict, bestaan in voorkomend geval in het opmaken van inventarissen, het plannen van spoedeisende maatregelen om goederen te beschermen tegen de risico's van brand of instorting van de gebouwen, het voorbereiden van de verwijdering van roerende culturele goederen of van het aanbrengen van de bescherming in situ van deze goederen, alsook het aanwijzen van bevoegde autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de veiligstelling van de culturele goederen.

Artikel 6 - Eerbiediging van de culturele goederen
Teneinde de eerbiediging van de culturele goederen te waarborgen overeenkomstig artikel 4 van het Verdrag:

  • kan een afwijking op grond van een dwingende militaire noodzaak in de zin van artikel 4, paragraaf 2, van het Verdrag enkel worden ingeroepen voor het voeren van een vijandelijke daad tegen een cultureel goed als en zolang :dit cultureel goed door de betekenis ervan tot een militair doelwit is omgevormd, en geen andere praktisch mogelijke oplossing bestaat om een militair voordeel te verkrijgen dat overeenstemt met dat opgeleverd door een vijandelijke daad tegen dat doelwit;
  • kan een afwijking op grond van een dwingende militaire noodzaak in de zin van artikel 4, paragraaf 2, van het Verdrag enkel worden ingeroepen om culturele goederen aan te wenden voor doeleinden waardoor zij kunnen worden blootgesteld aan vernietiging of beschadiging als en zolang geen keuze mogelijk is tussen een dergelijke aanwending van de culturele goederen en een andere praktisch mogelijke methode om een gelijkwaardig militair voordeel te verkrijgen; wordt de beslissing een dwingende militaire noodzaak in te roepen enkel genomen door de chef van een formatie waarvan het belang overeenstemt met of groter is dan een bataljon, dan wel door een kleinere formatie wanneer de omstandigheden geen ander optreden mogelijk maken;
  • moet in geval van een aanval gegrond op een beslissing genomen overeenkomstig lid a) te gepasten tijde en met doeltreffende middelen een waarschuwing worden gegeven, wanneer de omstandigheden zulks mogelijk maken.

Artikel 7 - Voorzorgen bij de aanval
Onverminderd de andere voorzorgen opgelegd krachtens het internationaal humanitair recht bij het voeren van militaire acties, moet iedere partij bij het conflict :

  • alles in het werk stellen wat praktisch mogelijk is om na te gaan of de aan te vallen doelwitten geen culturele goederen zijn die worden beschermd krachtens artikel 4 van het Verdrag;
  • alle praktisch mogelijke voorzorgen nemen met betrekking tot de keuze van de middelen en de methoden van de aanval teneinde de collaterale schade die zou kunnen worden toegebracht aan de culturele goederen beschermd op grond van artikel 4 van het Verdrag te voorkomen en in ieder geval tot het minimum te beperken;
  • zich onthouden van een aanval waarvan kan worden aangenomen dat hij aan de culturele goederen beschermd op grond van artikel 4 van het Verdrag collaterale schade aanbrengt die bovenmatig is in verhouding tot het verwachte concrete en rechtstreekse militaire voordeel;
  • een aanval intrekken of onderbreken als blijkt dat :het doelwit een cultureel goed is beschermd krachtens artikel 4 van het Verdrag;
  • kan worden verwacht dat hij aan de culturele goederen beschermd krachtens artikel 4 van het Verdrag collaterale schade aanbrengt die bovenmatig is in verhouding tot het verwachte concrete en rechtstreekse militaire voordeel.

Artikel 8 - Voorzorgen tegen de gevolgen van de aanvallen
Voor zover zulks praktisch mogelijk is moeten de Partijen bij het conflict :

  • de roerende culturele goederen verwijderen uit de nabijheid van militaire doelwitten of in situ een passende bescherming bieden;
  • militaire doelwitten in de nabijheid van culturele goederen vermijden.

Artikel 9 - Bescherming van de culturele goederen in bezet gebied
Onverminderd de bepalingen van de artikelen 4 en 5 van het Verdrag verbiedt en verhindert elke Partij die het grondgebied van een andere Partij geheel of gedeeltelijk bezet houdt met betrekking tot het bezet gebied :

  • enige ongeoorloofde uitvoer, andere verplaatsing of overdracht van eigendom van culturele goederen;
  • enige archeologische opgraving tenzij deze absoluut vereist is met het oog op de veiligstelling, de registratie of de instandhouding van culturele goederen;
  • enige transformatie of andere aanwending van culturele goederen die beoogt bestanddelen van het cultureel, historisch of wetenschappelijk erfgoed te verbergen of te vernietigen.
  • Enige archeologische opgraving, transformatie of andere aanwending van culturele goederen in een bezet gebied moet geschieden in nauwe samenwerking met de bevoegde nationale autoriteiten van dat grondgebied, tenzij de omstandigheden zulks niet toelaten.

Hoofdstuk 3. - Versterkte bescherming
Artikel 10 - Versterkte bescherming
Een cultureel goed kan onder versterkte bescherming worden gesteld indien het aan de volgende drie voorwaarden voldoet :

  • het betreft een cultureel erfgoed dat van zeer grote betekenis is voor de mensheid;
  • het wordt beschermd door passende nationale, juridische en bestuurlijke maatregelen die de uitzonderlijke culturele en historische waarde ervan erkennen en het hoogste beschermingsniveau waarborgen;
  • het wordt niet voor militaire doeleinden aangewend of ter bescherming van militaire sites en de Partij die de controle erover uitoefent, heeft in een verklaring bevestigd dat het niet aldus niet zal worden aangewend.

Artikel 11 - Verlenen van versterkte bescherming
Elke Partij moet aan het Comité een lijst voorleggen van de culturele goederen waarvoor zij voornemens is de versterkte bescherming te verzoeken. De Partij die rechtsmacht heeft of controle uitoefent over een cultureel goed kan verzoeken om inschrijving op de Lijst die wordt opgesteld krachtens artikel 27, paragraaf 1, lid b). Dit verzoek bevat alle vereiste gegevens inzake de criteria bedoeld in artikel 10. Het Comité kan een Partij uitnodigen om de inschrijving van dat cultureel goed op de Lijst te verzoeken.

Andere Partijen, het Internationale Blauwe Schild Comité en andere niet-gouvernementele organisaties met passende deskundigheid kunnen een bijzonder cultureel goed aan het Comité aanbevelen. In dergelijke gevallen kan het Comité beslissen een Partij uit te nodigen om de inschrijving van dat cultureel goed op de Lijst te verzoeken.

Het verzoek om inschrijving van een cultureel goed dat zich bevindt op een grondgebied waarvan de soevereiniteit of de rechtsmacht wordt opgeëist door meer dan een Partij en de inschrijving van een dergelijk goed doen op geen enkele wijze afbreuk aan de rechten van de partijen bij het geschil.
Als het Comité een verzoek om inschrijving op de Lijst heeft ontvangen, stelt het alle Partijen daarvan in kennis. De Partijen kunnen aan het Comité binnen een termijn van zestig dagen hun bezwaren inzake dat verzoek meedelen. Die bezwaren zijn enkel gegrond op de criteria bedoeld in artikel 10, moeten specifiek zijn en ter zake doen. Het Comité onderzoekt die bezwaren en geeft aan de Partij die om inschrijving verzoekt, de gelegenheid te antwoorden alvorens een beslissing te nemen. Als die bezwaren aan het Comité zijn voorgelegd, wordt de beslissing betreffende de inschrijving op de Lijst niettegenstaande artikel 26 genomen met een meerderheid van vier vijfden van de aanwezige leden van het Comité die hun stem hebben uitgebracht.

Als het Comité uitspraak doet over een verzoek, moet het het advies inwinnen van gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties alsook van individuele deskundigen.
De beslissing om de versterkte bescherming te verlenen of te weigeren kan enkel worden gegrond op de criteria bedoeld in artikel 10.

In uitzonderlijke omstandigheden, als het Comité tot het besluit is gekomen dat de Partij die om de inschrijving van een cultureel goed op de Lijst verzoekt niet kan voldoen aan het criterium bedoeld in artikel 10, alinea b), kan het beslissen de versterkte bescherming te verlenen voor zover de verzoekende Partij krachtens artikel 32 een verzoek om internationale bijstand indient.
Zodra de vijandelijkheden zijn begonnen, kan een partij bij het conflict, gelet op de noodsituatie, door middel van de indiening van een verzoek aan het Comité om de versterkte bescherming verzoeken van de culturele goederen die onder haar rechtsmacht of controle zijn geplaatst. Het Comité bezorgt dit verzoek onverwijld aan alle partijen bij het conflict. In dit geval onderzoekt het Comité onmiddellijk de bezwaren van de betrokken Partijen. De beslissing om voorlopig versterkte bescherming te verlenen wordt zo spoedig mogelijk genomen met een meerderheid van vier vijfden van de leden van het Comité, niettegenstaande de bepalingen van artikel 26. Het Comité kan de versterkte bescherming voorlopig verlenen in afwachting dat de normale procedure ter zake is voltooid, op voorwaarde dat is voldaan aan de criteria bedoeld in artikel 10, lid a) en c).
Het Comité verleent de versterkte bescherming aan een cultureel goed zodra het op de lijst is ingeschreven.

De directeur-generaal stelt de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en alle Partijen onverwijld in kennis van enige beslissing van het Comité om een cultureel goed op de Lijst in te schrijven.
Artikel 12 - Onschendbaarheid van de culturele goederen onder versterkte bescherming
De Partijen bij een conflict verzekeren de onschendbaarheid van de onder versterkte bescherming gestelde culturele goederen door zich te onthouden van aanvallen op die goederen, alsmede van enig aanwending van die goederen of van de onmiddellijke omgeving ervan ter ondersteuning van een militaire actie.

Artikel 13 - Verlies van de versterkte bescherming
Een cultureel goed dat onder versterkte bescherming is gesteld, verliest deze bescherming enkel :als deze bescherming wordt opgeschort of opgeheven overeenkomstig artikel 14; of
als en zolang het goed door de aanwending ervan een militair doelwit is geworden.
In de omstandigheden bedoeld in paragraaf 1, lid b), mag een dergelijk goed enkel worden aangevallen :als die aanval het enige praktisch mogelijke middel is om een einde te maken aan de in paragraaf 1, lid b) bedoelde aanwending van het goed;
als alle praktisch mogelijke voorzorgen met betrekking tot de keuze van de middelen en de methoden van de aanval zijn genomen om aan die aanwending een einde te maken en de schade aan dit cultureel goed te voorkomen of in elk geval tot een minimum te beperken;
tenzij de omstandigheden zulks onmogelijk maken gelet op de vereisten van de onmiddellijke wettige verdediging :wordt het bevel om aan te vallen gegeven op het hoogste niveau van het operationeel commando;
zijn de vijandelijke strijdkrachten op doeltreffende wijze gewaarschuwd en aangemaand een einde te maken aan de aanwending bedoeld in paragraaf 1, lid b) en;
wordt aan de vijandelijke strijdkrachten een redelijke termijn toegekend om de situatie te herstellen.

Artikel 14 - Opschorting en opheffing van de versterkte bescherming
Wanneer een cultureel goed niet meer beantwoordt aan een van de criteria bedoeld in artikel 10 van dit Protocol, kan het Comité de versterkte bescherming ervan opschorten of opheffen door het van de Lijst te schrappen.
In geval van ernstige schendingen van artikel 12 omdat een cultureel goed onder versterkte bescherming wordt aangewend ter ondersteuning van een militaire actie, kan het Comité de versterkte bescherming ervan opschorten. Wanneer deze schendingen voortduren kan het Comité de bescherming van het genoemde goed uitzonderlijk opheffen door het van de Lijst te schrappen.
De directeur-generaal stelt de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en alle Partijen bij dit Protocol onverwijld in kennis van elke beslissing van het Comité om de versterkte bescherming van een cultureel goed op te schorten of op te heffen.
Alvorens een beslissing te nemen, biedt het Comité de Partijen de mogelijkheid hun standpunten te kennen te geven.


Hoofdstuk 4. - Strafrechtelijke aansprakelijkheid en bevoegdheid
Artikel 15 - Ernstige schendingen van dit Protocol
Hij die een van de hierna genoemde daden begaat, overtreedt opzettelijk het Verdrag of dit Protocol en pleegt een misdrijf in de zin van dit Protocol:

  • een aanval richten op een cultureel goed onder versterkte bescherming;
    een cultureel goed onder versterkte bescherming of de onmiddellijke nabijheid aanwenden ter ondersteuning van een militaire actie;
  • de door het Verdrag en dit Protocol beschermde culturele goederen op grote schaal vernietigen of zich toe-eigenen;
  • een aanval richten op een cultureel goed beschermd door het Verdrag en dit Protocol;
  • de diefstal, de plundering of de verduistering van culturele goederen beschermd door het Verdrag en daden van vandalisme tegen de culturele goederen beschermd door het Verdrag.
    Elke Partij keurt de maatregelen goed die vereist kunnen zijn om overeenkomstig haar nationaal recht de feiten bedoeld in dit artikel strafbaar te stellen en met passende straffen te straffen. Op die wijze voegen de Partijen zich naar de algemene rechtsbeginselen en naar het internationaal recht, inzonderheid naar de regels op grond waarvan de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt uitgebreid tot andere personen dan die welke de daad rechtstreeks hebben begaan.

Artikel 16 - Rechtsmacht
Onverminderd de bepalingen van paragraaf 2 neemt elke Partij de vereiste wetgevende maatregelen om in de volgende gevallen haar rechtsmacht te vestigen met betrekking tot de misdrijven bedoeld in artikel 15 :

  • wanneer een dergelijk misdrijf is gepleegd op het grondgebied van die Staat;
  • wanneer de vermoedelijke dader een onderdaan van die Staat is;
  • in geval van de misdrijven bedoeld in artikel 15, paragraaf 1, lid a) tot c),wanneer de vermoedelijke dader zich op het grondgebied van die Staat bevindt.

Met betrekking tot de uitoefening van de rechtsmacht en onverminderd artikel 28 van het Verdrag :doet dit Protocol geen afbreuk aan het opnemen van de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid, aan het uitoefenen van de rechtsmacht krachtens het toepasselijk nationaal en internationaal recht of aan de uitoefening van de rechtsmacht krachtens het internationaal gewoonterecht; met uitzondering van het geval waarin een Staat die geen Partij is bij dit Protocol de bepalingen ervan kan aanvaarden en toepassen overeenkomstig artikel 3, paragraaf 2, zijn de individuele strafrechtelijke aansprakelijkheid van de leden van deze strijdkrachten en de onderdanen van een Staat welke geen Partij is bij dit Protocol, met uitzondering van zijn onderdanen in de strijdkrachten van een Staat die Partij is bij dit Protocol, niet individueel strafrechtelijk aansprakelijk krachtens dit Protocol dat niet voorziet in de verplichting rechtsmacht te vestigen ten aanzien van die personen, noch hen uit te leveren.

Artikel 17 - Vervolging
Indien de Partij op het grondgebied waarvan de vermoedelijke dader van een misdrijf bedoeld in artikel 15, lid a) tot c), is aangetroffen betrokkene niet uitlevert, stelt zij zonder enige uitzondering en zonder bovenmatige vertraging de autoriteiten bevoegd voor vervolging in kennis volgens een procedure conform het nationaal recht of, in voorkomend geval, conform de relevante regels van het internationaal recht.

Onverminderd, in voorkomend geval, de relevante regels van het internationaal recht wordt iedere persoon ten aanzien van wie krachtens het Verdrag of dit Protocol een procedure is ingesteld, in alle stadia van de procedure een billijke behandeling en een billijk proces gewaarborgd, overeenkomstig het nationaal en internationaal recht. Betrokkene geniet geenszins minder waarborgen dan die welke hem krachtens het internationaal recht zijn toegekend.

Artikel 18 - Uitlevering
De misdrijven bedoeld in artikel 15, paragraaf 1, lid a) en c), worden geacht in elk tussen de Partijen voor de inwerkingtreding van dit Protocol gesloten uitleveringsverdrag te zijn begrepen als uitleveringsdelicten. De Partijen verbinden zich ertoe deze misdrijven als uitleveringsdelicten op te nemen in enig uitleveringsverdrag dat tussen hen wordt gesloten.

Indien een Partij die uitlevering afhankelijk stelt van het bestaan van een verdrag een verzoek om uitlevering ontvangt van een andere Partij waarmee zij geen uitleveringsverdrag heeft gesloten, kan de aangezochte Partij dit Protocol beschouwen als gerechtelijke grondslag voor uitlevering wegens de misdrijven bedoeld in artikel 15, paragraaf 1, lid a) tot c).

De Partijen die uitlevering niet afhankelijk stellen van het bestaan van een verdrag, erkennen de misdrijven bedoeld in artikel 15, paragraaf 1, a) tot c), als uitleveringsdelicten onder de voorwaarden bepaald in de wetgeving van de verzoekende Partij.

Indien nodig worden de misdrijven bedoeld in artikel 15, paragraaf 1, lid a) tot c), ter fine van uitlevering tussen Partijen beschouwd als zowel gepleegd op de plaats zij zich hebben voorgedaan als op het grondgebied van de Partijen die hun rechtsmacht hebben gevestigd overeenkomstig artikel 16, paragraaf 1.

Artikel 19 - Wederzijdse rechtshulp
De Partijen verlenen elkaar in zo ruim mogelijke mate wederzijdse rechtshulp voor de onderzoeken, de strafrechtsplegingen of de uitleveringsprocedures met betrekking tot de misdrijven bedoeld in artikel 15, daaronder begrepen de wederzijdse rechtshulp met het oog op het verkrijgen van bewijsmateriaal waarover zij beschikken en dat noodzakelijk is voor de rechtspleging.
De Partijen komen de verplichtingen na die hen krachtens paragraaf 1 zijn opgelegd in overeenstemming met alle verdragen of akkoorden inzake wederzijdse rechtshulp die tussen hen kunnen bestaan. Bij gebreke van dergelijke verdragen of akkoorden verlenen de Partijen elkaar wederzijdse rechtshulp overeenkomstig hun nationaal recht.

Artikel 20 - Weigeringsgronden
Met betrekking tot de vereisten voor uitlevering en voor wederzijdse rechtshulp worden de misdrijven bedoeld in artikel 15, paragraaf 1, lid a) tot c), alsmede in artikel 15 niet beschouwd als politieke delicten, als een met een politiek delict samenhangend feit of als een feit ingegeven door politiek motieven. Bijgevolg kan een verzoek om uitlevering of rechtshulp gegrond op dergelijke misdrijven niet worden geweigerd enkel omdat het een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend feit of een feit ingegeven door politieke motieven betreft.

Geen bepaling van dit Protocol mag worden uitgelegd als een verplichting tot uitlevering of wederzijdse rechtshulp als de aangezochte Partij ernstige redenen heeft om aan ten nemen dat het verzoek om uitlevering wegens de misdrijven bedoeld in artikel 15, paragraaf 1, lid a) tot c) of het verzoek om wederzijdse rechtshulp wegens de feiten bedoeld in artikel 15 is ingediend met het doel een persoon te vervolgen of te straffen omwille van zijn ras, zijn godsdienst, zijn nationaliteit, zijn herkomst of zijn politieke overtuiging, dan wel de inwilliging van dat verzoek om een van die redenen schade zou kunnen berokkenen aan de toestand van die persoon.

Artikel 21- Maatregelen betreffende de andere strafbare feiten
Onverminderd artikel 28 van het Verdrag keurt elke Partij de wetgevende, administratieve of disciplinaire maatregelen goed die noodzakelijk kunnen zijn om een einde te maken aan volgende daden als zij opzettelijk zijn begaan :

  • enige aanwending van culturele goederen in strijd met het Verdrag of met dit Protocol;
  • enige ongeoorloofde uitvoer, andere verplaatsing of overbrenging van eigendom van culturele goederen uit een bezet gebied in strijd met het Verdrag of met dit Protocol.

Hoofdstuk 5. - Bescherming van de culturele goederen in geval van een gewapend conflict dat niet internationaal is
Artikel 22 - Gewapende conflicten die niet internationaal zijn
Dit Protocol is van toepassing in geval van een gewapend conflict dat niet internationaal is en plaats heeft op het grondgebied van een van de Partijen.
Dit Protocol is niet van toepassing op interne spanningen, binnenlandse onlusten, zoals oproer, geïsoleerde en sporadische gewelddaden en andere soortgelijke daden.
Geen bepaling van dit Protocol mag worden ingeroepen teneinde de soevereiniteit van een Staat aan te tasten, dan wel de verantwoordelijkheid van een regering om de openbare orde in de Staat te handhaven of te herstellen of de nationale eenheid en de territoriale integriteit van de Staat met alle wettige middelen te verdedigen.

Geen bepaling van dit Protocol vormt een aantasting van het recht van voorrang bij de uitoefening van rechtsmacht van een Partij op het grondgebied waarvan een gewapend conflict zonder internationaal karakter woedt met betrekking tot de schendingen bedoeld in artikel 15.
Geen bepaling van dit Protocol mag worden ingeroepen ter verantwoording van rechtstreekse of onrechtstreekse inmenging in het gewapend conflict of in de binnenlandse of buitenlandse aangelegenheden van de Partij op het grondgebied waarvan dit conflict zich voordoet, ongeacht de reden daartoe.

De toepassing van dit Protocol op de situatie bedoeld in paragraaf 1 heeft geen invloed op het juridisch statuut van de partijen bij het conflict.
UNESCO kan aan de partijen bij het conflict haar diensten aanbieden.

Hoofdstuk 6. - Institutionele aangelegenheden
Artikel 23 - Vergadering van de Partijen
De Vergadering van de Partijen wordt bijeengeroepen op hetzelfde tijdstip als de algemene Conferentie van UNESCO en gecoördineerd met de Vergadering van de Hoge Verdragsluitende Partijen indien deze wordt bijeengeroepen door de directeur-generaal van UNESCO.
De Vergadering van de Partijen keurt haar huishoudelijk reglement goed.
De Vergadering van de Partijen heeft de volgende bevoegdheden :verkiezen van de leden van het Comité overeenkomstig artikel 24, paragraaf 1;
goedkeuren van de leidende Beginselen uitgewerkt door het Comité;
opstellen van richtlijnen inzake de aanwending van het Fonds door het Comité en daarop controle uitoefenen;
onderzoeken van het verslag voorgelegd door het Comité overeenkomstig artikel
27, paragraaf 1, lid d);
onderzoeken van enig probleem inzake de toepassing van dit Protocol en naar gelang van het geval aanbevelingen formuleren.
De directeur-generaal roept een buitengewone Vergadering van de Partijen bijeen als ten minste een vijfde van de Partijen daarom verzoekt.

Artikel 24 - Comité voor de bescherming van de culturele goederen in geval van een gewapend conflict
Een Comité voor de bescherming van de culturele goederen in geval van een gewapend conflict wordt ingesteld. Het Comité bestaat uit twaalf Partijen verkozen door de Vergadering van de Partijen.
Het Comité komt een keer per jaar in gewone zitting bijeen en in buitengewone zitting telkens wanneer het Comité zulks nodig acht.

Bij de samenstelling van het Comité waken de Partijen over een billijke vertegenwoordiging van de verschillende regio's en culturen in de wereld.
De leden van het Comité kiezen hun vertegenwoordigers onder personen die gespecialiseerd zijn in cultureel erfgoed, defensie of internationaal recht en stellen in overleg alles in het werk om erover te waken dat het Comité in zijn geheel de passende bevoegdheden in deze aangelegenheden bundelt.

Artikel 25 - Mandaat
De Partijen worden tot lid van het Comité verkozen voor een periode van vier jaar en kunnen slechts een keer onmiddellijk opnieuw worden verkozen.
Ongeacht de bepalingen in paragraaf 1, eindigt het mandaat van de helft van de tijdens de eerste verkiezing verkozen leden na afloop van de eerste gewone zitting van de Vergadering van de Partijen volgend op die tijdens welke zij zijn verkozen. Die leden worden na de eerste verkiezing bij lottrekking aangewezen door de voorzitter van voornoemde Vergadering.

Artikel 26 - Huishoudelijk reglement
Het Comité keurt zijn huishoudelijk reglement goed.
Het quorum bestaat uit de meerderheid van de leden. De beslissingen van het Comité worden genomen met een tweederde meerderheid van de leden die hun stem uitbrengen.
De leden nemen niet deel aan de stemming over enige beslissing betreffende de culturele goederen getroffen door een gewapend conflict waarbij zij partij zijn.

Artikel 27 - Bevoegdheden
Het Comité heeft de volgende bevoegdheden :de leidende Beginselen voor de toepassing van dit Protocol opstellen;
aan culturele goederen versterkte bescherming verlenen, die bescherming opschorten of opheffen en de Lijst van culturele goederen onder versterkte bescherming opstellen, bijwerken en propageren;
de toepassing van dit Protocol volgen en controleren en de identificatie van culturele goederen onder versterkte bescherming bevorderen;
de verslagen van de Partijen onderzoeken en opmerkingen hieromtrent formuleren, de vereiste preciseringen verkrijgen en zijn eigen verslag over de toepassing van dit Protocol voor de Vergadering van de Partijen opstellen;
de verzoeken om internationale bijstand op grond van artikel 32 ontvangen en onderzoeken;
over de aanwending van het Fonds beslissen;
enige andere bevoegdheid uitoefenen die het Comité kan worden verleend door de Vergadering van de Partijen.
Het Comité oefent zijn taken uit in samenwerking met de Directeur-generaal.
Het Comité werkt samen met de internationale en nationale gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties waarvan de doelstellingen overeenstemmen met die van het Verdrag, met het Eerste Protocol erbij en met dit Protocol. Het Comité kan eminente professionele organisaties uitnodigen om zijn vergaderingen met raadgevende stem bij te wonen teneinde het bij te staan bij de uitoefening van zijn taken, bijvoorbeeld organisaties die formele relaties onderhouden met UNESCO, inzonderheid het Internationale Blauwe Schild Comité (IBSC) en de organen ervan. Vertegenwoordigers van het Internationaal Studiecentrum voor het behoud en de restauratie van culturele goederen (Centrum van Rome) (ICCROM) en van het Internationaal Comité van het Rode Kruis (ICRK) kunnen worden uitgenodigd om die vergaderingen met raadgevende stem bij te wonen.

Artikel 28 - Secretariaat
Het Comité wordt bijgestaan door het Secretariaat van UNESCO dat de documentatie ervan verzorgt, de agenda van de vergaderingen opstelt en de beslissingen uitvoert.

Artikel 29 - Het Fonds voor de bescherming van de culturele goederen in geval van een gewapend conflict
Een Fonds wordt opgericht met de volgende doelstellingen :financiële of andere bijstand verlenen ter ondersteuning van de voorbereidende en andere maatregelen die in vredestijd moeten worden genomen, inzonderheid overeenkomstig de artikelen 5, 10, lid b), en 30;
financiële of andere bijstand verlenen ter ondersteuning van noodmaatregelen, voorlopige maatregelen of enige andere maatregel tot bescherming van de culturele goederen ten tijde van een gewapend conflict of van herstel onmiddellijk na het einde van de vijandelijkheden, inzonderheid overeenkomstig artikel 8, lid b).
Het Fonds is samengesteld uit depositogelden, overeenkomstig de bepalingen van het financieel reglement van UNESCO.
Het Fonds wordt uitsluitend aangewend voor de doelstellingen bepaald door het Comité overeenkomstig de richtlijnen bedoeld in artikel 23, paragraaf 3, lid c). Het Comité kan bijdragen aanvaarden die specifiek bestemd zijn voor een programma of bijzonder project tot uitvoering waarvan is beslist door het Comité.
De middelen van het Fonds bestaan uit :de vrijwillige bijdragen van de Partijen;
de bijdragen, giften of legaten van :andere Staten;
UNESCO of andere organisaties van de Verenigde Naties;
andere intergouvernementele of niet-gouvernementele organisaties;
openbare of particuliere instellingen of particulieren.
alle intresten op de geldmiddelen van het Fonds;
de opbrengst van inzamelingen en de inkomsten van evenementen ten voordele van het Fonds;
alle andere middelen toegelaten krachtens de richtlijnen die van toepassing zijn op het Fonds.

Hoofdstuk 7. - Verspreiding van informatie en internationale bijstand
Artikel 30 - Verspreiding
De Partijen stellen alles in het werk om met gepaste middelen, inzonderheid met onderwijs- en informatieprogramma's de bevolking meer waardering en eerbied te doen opbrengen voor de culturele goederen.
De Partijen verspreiden dit Protocol op zo ruim mogelijke wijze, zowel in vredestijd als ten tijde van een gewapend conflict.
De militaire of burgerlijke autoriteiten die ten tijde van een gewapend conflict verantwoordelijkheid dragen met betrekking tot de toepassing van dit Protocol, moeten de tekst ervan perfect kennen. Naar gelang stellen de Partijen daartoe de volgende handelingen :in hun militaire reglementen richtlijnen en aanwijzingen opnemen inzake de bescherming van de culturele goederen;
in samenwerking met UNESCO en de bevoegde gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties in vredestijd opleidings- en onderwijsprogramma's uitwerken en uitvoeren;
door bemiddeling van de directeur-generaal onderling gegevens uitwisselen inzake de wetten, de bestuurlijke bepalingen en de maatregelen genomen teneinde de leden a) en b) uit te voeren;
door bemiddeling van directeur-generaal elkaar zo spoedig mogelijk de wetten en de administratieve bepalingen meedelen die zijn uitgewerkt met het oog op de toepassing van dit Protocol.
Artikel 31 - Internationale samenwerking
In geval van ernstige schendingen van dit Protocol, verbinden de Partijen zich ertoe zowel samen op te treden, door toedoen van het Comité, als afzonderlijk, in samenwerking met UNESCO en de Organisatie van de Verenigde Naties overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties.

Artikel 32 - Internationale bijstand
Een Partij kan aan het Comité internationale bijstand vragen ten gunste van culturele goederen onder versterkte bescherming, alsmede bijstand bij de voorbereiding, de uitwerking of de toepassing van de wetten, administratieve bepalingen en maatregelen bedoeld in artikel 10.
Een partij bij het conflict die geen Partij is bij dit Protocol maar de bepalingen ervan aanvaardt en toepast als bedoeld in artikel 3, paragraaf 2, kan aan het Comité passende internationale bijstand vragen.
Het Comité keurt de bepalingen goed houdende regeling van de indiening van de verzoeken om internationale bijstand en bepaalt welke vorm die hulp kan aannemen.
De Partijen worden aangemoedigd om door bemiddeling van het Comité enige vorm van technische bijstand te verlenen aan de Partijen of aan de partijen bij het conflict die daarom verzoeken.

Artikel 33 - Medewerking van UNESCO
Een Partij kan een beroep doen op de technische medewerking van UNESCO teneinde de bescherming te organiseren van haar culturele goederen, inzonderheid met betrekking tot de voorbereidende maatregelen die moeten worden genomen met het oog op de veiligstelling van de culturele goederen, de preventieve en organisatorische maatregelen inzake noodsituaties en het opstellen van nationale inventarissen van de culturele goederen, dan wel met betrekking tot enig ander probleem dat volgt uit de toepassing van dit Protocol. UNESCO verleent die medewerking binnen de beperkingen van haar programma en haar mogelijkheden.
De Partijen worden aangemoedigd om zowel bilaterale als multilaterale technische bijstand te verlenen.
UNESCO is gemachtigd om terzake uit eigen beweging voorstellen te doen aan de Partijen.


Hoofdstuk 8. - Tenuitvoerlegging van het Protocol
Artikel 34 - Beschermende mogendheden
Dit Protocol wordt toegepast met de medewerking van de beschermende mogendheden belast met de behartiging van de belangen van de partijen bij het conflict.

Artikel 35 - Verzoeningsprocedure
De beschermende mogendheden verlenen hun goede diensten in alle gevallen waarin zij zulks nuttig achten in het belang van de culturele goederen, inzonderheid in geval van onenigheid tussen de partijen bij het conflict met betrekking tot de toepassing of de uitlegging van de bepalingen van dit Protocol.
Te dien einde kan elke beschermende mogendheid op uitnodiging van een Partij, van de directeur-generaal of uit eigen beweging aan de partijen bij het conflict een bijeenkomst van hun vertegenwoordigers voorstellen en in het bijzonder van de autoriteiten belast met de bescherming van culturele goederen, eventueel op het grondgebied van een Staat die geen partij is bij het conflict. De partijen bij het conflict moeten gevolg geven aan de voorstellen betreffende het houden van een bijeenkomst. De beschermende mogendheden leggen de partijen bij het conflict een voorstel ter goedkeuring voor betreffende een persoon behorende tot een Staat die geen partij is bij het conflict of voorgesteld door de directeur-generaal, die wordt uitgenodigd aan deze bijeenkomst deel te nemen in de hoedanigheid van voorzitter.

Artikel 36 - Verzoening bij gebrek aan beschermende mogendheden
In geval van een conflict waarin geen beschermende mogendheden zijn aangewezen, kan de directeur-generaal met het oog op de regeling van het geschil zijn goede diensten verlenen of tussenbeide komen met betrekking tot andere vormen van verzoening of bemiddeling.
Op uitnodiging van een Partij of van de directeur-generaal kan de voorzitter van het Comité aan de partijen bij het conflict een bijeenkomst van hun vertegenwoordigers voorstellen en in het bijzonder van de autoriteiten belast met de bescherming van de culturele goederen, eventueel op het grondgebied van een Staat die geen partij is bij het conflict.

Artikel 37 - Vertalingen en verslagen
De Partijen vertalen dit Protocol naar de officiële talen van hun land en bezorgen deze officiële vertalingen aan de directeur-generaal.
Om de vier jaar leggen de Partijen aan het Comité een verslag voor over de uitvoering van dit Protocol.


Artikel 38 - Aansprakelijkheid van de Staten
Geen enkele bepaling van dit Protocol met betrekking tot de strafrechtelijke aansprakelijkheid van individuen heeft invloed op de aansprakelijkheid van de Staten in het internationaal recht, inzonderheid de verplichting tot herstel.

Hoofdstuk 9. - Slotbepalingen
Artikel 39 - Talen
Dit Protocol is opgesteld in de Engelse, Arabische, Chinese, Spaanse, Franse en Russische taal; zijnde de zes teksten gelijkelijk authentiek.

Artikel 40 - Ondertekening
Dit Protocol draagt de datum van 26 maart 1999 en staat te 's-Gravenhage van 17 mei tot 31 december 1999 voor ondertekening open door de Hoge Verdragsluitende Partijen.

Artikel 41 - Bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring
Dit Protocol kan worden bekrachtigd, aanvaard of goedgekeurd door de Hoge Verdragsluitende Partijen die het ondertekenen, zulks overeenkomstig hun onderscheidene grondwettelijke procedures.
De akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring worden neergelegd bij de directeur-generaal.

Artikel 42 - Toetreding
Dit Protocol staat met ingang van 1 januari 2000 open voor toetreding door andere Hoge Verdragsluitende Staten.
De toetreding geschiedt door neerlegging van een akte van toetreding bij de directeur-generaal.

Artikel 43 - Inwerkingtreding
Dit Protocol treedt in werking drie maanden te rekenen van het tijdstip van de neerlegging van twintig akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring.
Daarna treedt dit Protocol ten aanzien van elke Partij in werking drie maanden na de neerlegging van haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of van toetreding.

Artikel 44 - Inwerkingtreding in situaties van een gewapend conflict
In de gevallen bedoeld in de artikelen 18 en 19 van het Verdrag worden de door de partijen bij het conflict voor of na het begin van de vijandelijkheden of van de bezetting neergelegde akten van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van dit Protocol of van toetreding tot het Protocol onverwijld van kracht. In die gevallen geschieden de kennisgevingen van de directeur-generaal bedoeld in artikel 46 op de snelste wijze.

Artikel 45 - Opzegging
Iedere Partij kan dit Protocol op te zeggen.
De directeur-generaal wordt schriftelijk in kennis gesteld van de opzegging.
De opzegging wordt van kracht een jaar na de ontvangst van de akte van opzegging. Indien de opzeggende Partij op het tijdstip van het verstrijken van die termijn evenwel betrokken is bij een gewapend conflict, heeft de opzegging geen gevolg tot het einde van de vijandelijkheden en geenszins zolang de culturele goederen niet zijn teruggebracht naar het gebied van herkomst.


Artikel 46 - Kennisgevingen
De directeur-generaal stelt zowel alle Hoge Verdragsluitende Partijen als de Verenigde Naties in kennis van de neerlegging van alle akten van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding bedoeld in de artikelen 41 en 42, evenals van de opzeggingen bedoeld in artikel 45.

Artikel 47 - Registratie bij de Verenigde Naties
Overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties wordt dit Protocol op verzoek van de Directeur-generaal geregistreerd bij het Secretariaat van de Verenigde Naties.
Ten blijke waarvan de ondergetekenden, daartoe behoorlijk gemachtigd, dit Protocol hebben ondertekend.

Gedaan te 's-Gravenhage, 26 maart 1999, in een enkel exemplaar, dat zal worden neergelegd in het archief van de Verenigde Naties voor Onderwijs, Wetenschap en Cultuur en waarvan voor eensluidend gewaarmerkte afschriften zullen worden verstrekt aan alle Hoge Verdragsluitende Partijen

Stel je vraag

  • Geboortedatum

  • verzend

Detail

  • Plaats: Den Haag
  • Aangenomen: 26-03-1999
  • Inwerkingtreding: 01-01-1970

In België

  • Ratificatie: 13-10-2013
  • Inwerkingtreding: 13-01-2011
  • Ondertekening: 17-05-1999
  • Publicatie: 03-01-2011
  • Geen voorbehoud of verklaring