Protocol inzake de explosieve oorlogsresten bij het Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben


In de jaren ‘90 is de internationale gemeenschap zich bewust geworden van de humanitaire gevolgen van het gebruik van antipersoonsmijnen. De problemen veroorzaakt door andere vormen van onontplofte munitie waren toen echter nog niet op grote schaal bestudeerd. Er waren dus slechts zeer weinig regels van internationaal humanitair recht ter beperking van de burgerslachtoffers van andere wapens dan antipersoonsmijnen na afloop van een gewapend conflict.

Tijdens een in september 2000 in Nyon (Zwitserland) gehouden vergadering van deskundigen heeft het ICRC bij de staten aangedrongen op een striktere wetgeving ter zake. Het heeft met name voorgesteld dat de staten, partij zijnde bij het Verdrag inzake bepaalde conventionele wapens (CCW), via onderhandelingen een nieuw protocol inzake « explosieve oorlogsresten » sluiten. Hiermee werd een vermindering beoogd van het gevaar van niet-ontplofte artillerie-, mortier- of handgranaten, clustermunitie, bommen en soortgelijke wapens die vaak na afloop van actieve vijandelijkheden worden gevonden. Dit onderwerp werd vervolgens opgenomen als agendapunt van de vergaderingen ter voorbereiding van de tweede, in 2000 en 2001 gehouden conferentie ter herziening van de CCW.

Tijdens de in december 2001 gehouden conferentie bleek dat er in brede kring steun was voor het werk inzake explosieve oorlogsresten. De verdragsluitende staten hebben dan ook een groep van regeringsdeskundigen aangesteld ter bestudering van de manieren om het vraagstuk aan te pakken. Deze groep heeft in 2002 driemaal vergaderd en een aantal maatregelen overwogen om:

  • explosieve oorlogsresten te ruimen;
  • de burgerbevolking te waarschuwen;
  • informatie uit te wisselen tussen organisaties en partijen bij het conflict;

De groep heeft eveneens mogelijkheden onderzocht om het ontstekingsmechanisme van bepaalde wapens te verbeteren en het gebruik van clustermunitie te beperken.

In de in december 2002 gehouden vergadering van de verdragsluitende staten was er  groeiende consensus dat een nieuw protocol kon worden gesloten inzake de na een conflict te nemen maatregelen om de impact van ERW zo veel mogelijk te beperken. De groep van regeringsdeskundigen werd belast met de onderhandelingen over dit instrument. Naast deze onderhandelingen zette deze groep de werkzaamheden verder wat betreft bepaalde wapens en beperkingen van het gebruik van clustermunitie. Na de in maart,  juni en november 2003 gevoerde onderhandelingen heeft de groep de laatste hand gelegd aan een ontwerpprotocol en dit aan de verdragsluitende staten overgemaakt ter beoordeling.

Deze staten hebben het Protocol inzake explosieve oorlogsresten op 28 november 2003 aanvaard. Het is de eerste multilaterale overeenkomst die betrekking heeft op het brede gamma van onontplofte en achtergelaten munitie die een voortdurende bedreiging vormt voor burgers, humanitaire werkers en ordediensten na het einde van een gewapend conflict. Een belangrijk punt is dat alle militaire grootmachten aan de onderhandelingen en de aanvaarding van de definitieve tekst hebben deelgenomen. Samen met het Verdrag inzake het verbod van antipersoonsmijnen vormt het Protocol inzake explosieve oorlogsresten een belangrijk element in het streven om een einde te maken aan het leed dat na afloop van een conflict al te vaak blijft voortduren.

De verdragstekst

De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Erkennend de ernstige humanitaire problemen die door ontplofbare oorlogsresten worden veroorzaakt in post-conflictsituaties,

Zich bewust van de noodzaak een Protocol te sluiten inzake herstel-maatregelen van algemene aard in post-conflictsituaties teneinde de risico's en gevolgen van ontplofbare oorlogsresten tot een minimum te beperken,

En bereid algemene preventieve maatregelen te treffen door middel van best practices op vrijwillige basis vervat in een Technische Bijlage voor de verbetering van de betrouwbaarheid van munitie, en daarmee de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten tot een minimum beperkend,

Zijn het volgende overeengekomen :

Artikel 1 - Algemene bepaling en toepassingsgebied
In overeenstemming met het Handvest van de Verenigde Naties en met de op hen van toepassing zijnde regels van het internationaal recht inzake gewapende conflicten, komen de Hoge Verdragsluitende Partijen overeen de in dit Protocol vervatte verplichtingen na te komen, zowel individueel als in samenwerking met andere Hoge Verdragsluitende Partijen, teneinde de risico's en gevolgen van ontplofbare oorlogsresten in post-conflictsituaties te minimaliseren.
Dit Protocol is van toepassing op ontplofbare oorlogsresten te land, met inbegrip van de binnenwateren van de Hoge Verdragsluitende Partijen.
Dit Protocol is van toepassing op situaties die voortvloeien uit conflicten als bedoeld in artikel 1, eerste tot en met zesde lid, van het Verdrag, zoals gewijzigd op 21 december 2001.
De artikelen 3, 4, 5 en 8 van dit Protocol zijn van toepassing op andere ontplofbare oorlogsresten dan bestaande ontplofbare oorlogsresten als gedefinieerd in artikel 2, vijfde lid, van dit Protocol.

Artikel 2 - Begripsomschrijvingen
Voor de toepassing van dit Protocol wordt verstaan onder :

  • Ontplofbare munitie, conventionele munitie die explosieve stoffen bevat, met uitzondering van mijnen, valstrikken en andere mechanismen als gedefinieerd in Protocol II van dit Verdrag zoals gewijzigd op 3 mei 1996;
  • Niet-gesprongen munitie, ontplofbare munitie die ontstekingsgereed is, van een ontsteking is voorzien, op scherp is gezet of anderszins voor gebruik is voorbereid, en is gebruikt in een gewapend conflict. De munitie kan zijn afgevuurd, afgeworpen, gelanceerd of afgeschoten en had tot ontploffing behoren te komen, maar weigerde zulks te doen;
  • Achtergelaten ontplofbare munitie, ontplofbare munitie die tijdens een gewapend conflict niet is gebruikt, die is achtergelaten of gedumpt door een partij bij een gewapend conflict, en die niet langer onder het gezag staat van de partij die deze heeft achtergelaten of gedumpt.
  • Achtergelaten ontplofbare munitie kan al dan niet voor ontsteking zijn geprepareerd, van een ontsteking zijn voorzien, op scherp zijn gezet of anderszins voor gebruik zijn voorbereid;
    Ontplofbare oorlogsresten, niet-gesprongen munitie en achtergelaten ontplofbare munitie;
  • Bestaande ontplofbare oorlogsresten, niet-gesprongen munitie en achtergelaten ontplofbare munitie die aanwezig was vóór de inwerkingtreding van dit Protocol ten aanzien van de Hoge Verdragsluitende Partij op wier grondgebied dit aanwezig is.

Artikel 3 - Ruiming, verwijdering of vernietiging van ontplofbare oorlogsresten
Elke Hoge Verdragsluitende Partij en partij bij een gewapend conflict draagt de in dit artikel vervatte verantwoordelijkheden ten aanzien van alle ontplofbare oorlogsresten binnen het grondgebied dat onder haar gezag valt. In gevallen waarin een gebruiker van ontplofbare munitie die ontplofbare oorlogsresten is geworden, geen gezag uitoefent over het grondgebied, verstrekt waar haalbaar de gebruiker, na de beëindiging van de feitelijke vijandelijkheden onder andere technische, financiële, materiële of personele bijstand, bilateraal of via een onderling overeengekomen derde partij, onder andere via organen van de Verenigde Naties of andere relevante organisaties, ter vergemakkelijking van het markeren en ruimen, verwijderen of vernietigen van deze ontplofbare oorlogsresten.
Na de beëindiging van de feitelijke vijandelijkheden en zo snel als haalbaar, markeert en ruimt, verwijdert of vernietigt elke Hoge Verdragsluitende Partij en partij bij een gewapend conflict de ontplofbare oorlogsresten in de getroffen gebieden die onder haar gezag staan. Aan gebieden die getroffen zijn door ontplofbare oorlogsresten die op grond van het derde lid van dit artikel worden beoordeeld als een ernstig humanitair gevaar opleverend, wordt prioriteit verleend op het gebied van ruiming, verwijdering of vernietiging.

Na de beëindiging van de feitelijke vijandelijkheden en zo snel als haalbaar, neemt elke Hoge Verdragsluitende Partij en partij bij een gewapend conflict in de getroffen gebieden die onder haar gezag staan, de volgende maatregelen teneinde de door de ontplofbare oorlogsresten gevormde risico's te beperken :het onderzoeken en beoordelen van het gevaar dat van de ontplofbare oorlogsresten uitgaat;

  • het beoordelen en een prioriteit toekennen aan de behoefte en uitvoerbaarheid wat betreft markering en ruiming, verwijdering of vernietiging;
  • het markeren en ruimen, verwijderen of vernietigen van ontplofbare oorlogsresten;
  • het nemen van maatregelen voor het verkrijgen van middelen om deze activiteiten uit te voeren.

Bij de uitvoering van bovengenoemde activiteiten houden de Hoge Verdragsluitende Partijen en partijen bij een gewapend conflict rekening met internationale normen, waaronder de International Mine Action Standards.
Waar dienstig werken de Hoge Verdragsluitende Partijen, zowel onderling als met andere staten, relevante regionale en internationale organisaties en niet-gouvernementele organisaties, samen bij het verlenen van bijstand in de vorm van, onder andere, technische, financiële, materiële en personele middelen, waaronder, in daarvoor in aanmerking komende omstandigheden, het ondernemen van gezamenlijke operaties ter nakoming van de bepalingen van dit artikel.

Artikel 4 - Het registreren, bijhouden en overdragen van informatie
De Hoge Verdragsluitende Partijen en partijen bij een gewapend conflict zullen, in zo groot mogelijke mate en voor zover praktisch uitvoerbaar, informatie inzake het gebruik van ontplofbare munitie of het achterlaten van ontplofbare munitie registreren en behouden, ter vergemakkelijking van de snelle markering en ruiming, verwijdering of vernietiging van ontplofbare oorlogsresten, gevarenvoorlichting en de verstrekking van relevante informatie aan de partij die het gezag heeft over het grondgebied en aan de burgerbevolking in dat grondgebied.
De Hoge Verdragsluitende Partijen en partijen bij een gewapend conflict die ontplofbare munitie hebben gebruikt of achtergelaten, die ontplofbare oorlogsresten kunnen zijn geworden, stellen informatie hieromtrent na de beëindiging van de feitelijke vijandelijkheden en voor zover praktisch uitvoerbaar, met inachtneming van de legitieme veiligheidsbelangen van deze partijen, onverwijld beschikbaar aan de partij of partijen die het gezag hebben over het getroffen gebied, op bilaterale basis of via een onderling overeengekomen derde partij, met inbegrip van, onder andere de Verenigde Naties of, op verzoek, aan andere relevante organisaties die naar de overtuiging van de partij die de informatie verstrekt gevarenvoorlichting geven of zullen geven en de markering en de ruiming, verwijdering of vernietiging van ontplofbare oorlogsresten in het getroffen gebied uitvoeren of zullen uitvoeren.
Bij het registreren, behouden en verzenden van deze informatie moeten de Hoge Verdragsluitende Partijen Deel 1 van de Technische Bijlage in acht nemen.

Artikel 5 - Andere voorzorgsmaatregelen voor de bescherming van de burgerbevolking, individuele burgers en burgerobjecten tegen de risico's en gevolgen van ontplofbare oorlogsresten
De Hoge Verdragsluitende Partijen en partijen bij een gewapend conflict treffen in het door ontplofbare oorlogsresten getroffen grondgebied dat onder hun gezag valt alle haalbare voorzorgsmaatregelen om de burgerbevolking, individuele burgers en burgerobjecten tegen de risico's en gevolgen van ontplofbare oorlogsresten te beschermen. Haalbare voorzorgsmaatregelen zijn die voorzorgsmaatregelen welke uitvoerbaar of praktisch mogelijk zijn, met inachtneming van alle omstandigheden die op dat tijdstip gelden, met inbegrip van humanitaire en militaire overwegingen. Deze voorzorgsmaatregelen kunnen bestaan uit waarschuwingen, gevarenvoorlichting aan de burgerbevolking en het markeren, met hekken afzetten en bewaken van het door ontplofbare oorlogsresten getroffen gebied, zoals vermeld in Deel 2 van de Technische Bijlage.

Artikel 6 - Bepalingen voor de bescherming van humanitaire missies en organisaties tegen de gevolgen van ontplofbare oorlogsresten
Elke Hoge Verdragsluitende Partij en partij bij een gewapend conflict zijn gehouden :Humanitaire missies en organisaties die in het gebied dat onder het gezag staat van de Hoge Verdragsluitende Partij of van de partij bij een gewapend conflict, met de instemming van die partij werkzaam zijn of zullen zijn, voor zover haalbaar, te beschermen tegen de gevolgen van ontplofbare oorlogsresten;
Op verzoek van een dergelijke humanitaire missie of organisatie, voor zover haalbaar, informatie te verstrekken met betrekking tot de locatie van alle bij haar bekende ontplofbare oorlogsresten in het grondgebied waar de verzoekende humanitaire missie of organisatie werkzaam is of zal zijn.
De bepalingen van dit artikel doen geen afbreuk aan het geldende internationaal humanitair recht of andere toepasselijke internationale instrumenten of aan besluiten van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties die voorzien in een hoger niveau van bescherming.

Artikel 7 - Bijstand ten aanzien van bestaande ontplofbare oorlogsresten
Elke Hoge Verdragsluitende Partij heeft het recht, desgewenst, te trachten bijstand te verkrijgen van andere Hoge Verdragsluitende Partijen, van staten die geen partij zijn en van relevante internationale organisaties en instellingen, en deze te ontvangen bij het aanpakken van de problemen die worden gevormd door bestaande ontplofbare oorlogsresten.
Elke Hoge Verdragsluitende Partij die daartoe in staat is, verleent, waar nodig en haalbaar, bijstand bij het aanpakken van de problemen die worden gevormd door bestaande ontplofbare oorlogsresten. Hierbij houden de Hoge Verdragsluitende Partijen ook rekening met de humanitaire doeleinden van dit Protocol, alsmede met internationale normen, waaronder de International Mine Action Standards.

Artikel 8 - Samenwerking en bijstand
Elke Hoge Verdragsluitende Partij die daartoe in staat is, verleent bijstand ten behoeve van de markering en ruiming, verwijdering of vernietiging van ontplofbare oorlogsresten, en ten behoeve van gevarenvoorlichting aan de burgerbevolking en daaraan gerelateerde activiteiten, onder meer via organen van de Verenigde Naties, of andere relevante internationale, regionale of nationale organisaties of instellingen, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, nationale afdelingen van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan of de internationale federatie hiervan, niet-gouvernementele organisaties, of op bilaterale basis.

Elke Hoge Verdragsluitende Partij die daartoe in staat is, verleent bijstand voor de zorg en rehabilitatie en de sociale en economische reïntegratie van slachtoffers van ontplofbare oorlogsresten. Deze bijstand kan onder meer worden verleend via organen van de Verenigde Naties, of andere relevante internationale, regionale of nationale organisaties of instellingen, het Internationaal Comité van het Rode Kruis, nationale afdelingen van het Rode Kruis en de Rode Halve Maan of de internationale federatie hiervan, niet-gouvernementele organisaties, of op bilaterale basis.

Elke Hoge Verdragsluitende Partij die daartoe in staat is, levert, ter vergemakkelijking van het verstrekken van bijstand ingevolge dit Protocol, een financiële bijdrage aan fondsen van de Verenigde Naties alsmede andere relevante fondsen.
Elke Hoge Verdragsluitende Partij heeft het recht deel te nemen aan een zo volledig mogelijke uitwisseling van apparatuur, materieel en wetenschappelijke en technologische informatie, anders dan wapen-gerelateerde technologie, benodigd voor de uitvoering van dit Protocol.

De Hoge Verdragsluitende Partijen verplichten zich ertoe deze uitwisselingen in overeenstemming met de nationale wetgeving te vergemakkelijken en leggen geen onnodige beperkingen op ten aanzien van de verstrekking van ruimingsapparatuur en daaraan gerelateerde technologische informatie voor humanitaire doeleinden.

Elke Hoge Verdragsluitende Partij verbindt zich ertoe informatie te verstrekken ten behoeve van de relevante databanken inzake mijnactie die in het kader van de Verenigde Naties zijn ingesteld, in het bijzonder informatie betreffende diverse middelen en technieken voor het ruimen van ontplofbare oorlogsresten, lijsten van deskundigen, gespecialiseerde instanties of nationale contactpunten inzake het ruimen van ontplofbare oorlogsresten en, op vrijwillige basis, technische informatie betreffende de relevante soorten ontplofbare munitie.

De Hoge Verdragsluitende Partijen kunnen verzoeken om bijstand, onderbouwd met relevante informatie, richten tot de Verenigde Naties, tot andere daarvoor in aanmerking komende instellingen of tot andere staten. Deze verzoeken kunnen worden ingediend bij de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, die deze doorzendt naar alle Hoge Verdragsluitende Partijen en naar de bevoegde internationale organisaties en niet-gouvernementele organisaties.
Wanneer verzoeken tot de Verenigde Naties worden gericht, kan de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties, binnen de hem ter beschikking staande mogelijkheden, de passende maatregelen nemen om de situatie te beoordelen en, in samenwerking met de verzoekende Hoge Verdragsluitende Partij en met andere Hoge Verdragsluitende Partijen met verantwoordelijkheid als vervat in artikel 3, de passende verlening van bijstand aanbevelen. De Secretaris-Generaal kan tevens verslag uitbrengen aan de Hoge Verdragsluitende Partijen over elk van deze beoordelingen en over de aard en de omvang van de verzochte bijstand, met inbegrip van eventuele bijdragen uit de fondsen die in het kader van de Verenigde Naties zijn ingesteld.

Artikel 9 - Algemene preventieve maatregelen
Indachtig de verschillende situaties en capaciteiten wordt elke Hoge Verdragsluitende Partij aangemoedigd algemene preventieve maatregelen te nemen gericht op het beperken van het vóórkomen van ontlofbare oorlogsresten, waaronder, doch niet beperkt tot, die welke worden genoemd in deel 3 van de Technische Bijlage.
Elke Hoge Verdragsluitende Partij kan, op vrijwillige basis, informatie uitwisselen betreffende inspanningen ter bevordering en instelling van de best practices ten aanzien van het eerste lid van dit artikel.

Artikel 10 - Overleg van de Hoge Verdragsluitende Partijen
De Hoge Verdragsluitende Partijen verplichten zich ertoe onderling overleg te plegen en samen te werken inzake alle kwesties betreffende de werking van dit Protocol. Hiertoe wordt een conferentie van de Hoge Verdragsluitende Partijen gehouden, als een meerderheid, doch ten minste achttien Hoge Verdragsluitende Partijen, daartoe besluit.
De werkzaamheden van de conferenties van de Hoge Verdragsluitende Partijen houden onder andere in:

  • toetsing van de status en werking van dit Protocol;
  • bestudering van aangelegenheden betreffende de nationale implementatie van dit Protocol, met inbegrip van nationale verslaglegging of actualisering op jaarlijkse basis;
  • voorbereiding van toetsingsconferenties.
    3. De kosten van de conferentie van de Hoge Verdragsluitende Partijen worden gedragen door de Hoge Verdragsluitende Partijen en door de staten die geen partij zijn en die deelnemen aan de conferentie, volgens de aan de op passende wijze aangepaste verdeelsleutel van de Verenigde Naties.

Artikel 11 - Naleving
Elke Hoge Verdragsluitende Partij vereist dat haar strijdkrachten en daarvoor in aanmerking komende instanties of departementen instructies en handelingsvoorschriften opstellen en bekendmaken en dat de personeelsleden van de strijdkrachten een opleiding krijgen die verenigbaar is met de desbetreffende bepalingen van dit Protocol.

De Hoge Verdragsluitende Partijen verplichten zich ertoe met elkaar overleg te plegen en bilateraal met elkaar samen te werken, door tussenkomst van de Secretaris-Generaal van de Verenigde Naties of volgens andere geschikte internationale procedures, om problemen op te lossen die zich kunnen voordoen met betrekking tot de interpretatie en toepassing van de bepalingen van dit Protocol.

Technische Bijlage
Deze Technische Bijlage bevat de best practices die zijn voorgesteld voor het realiseren van de in de artikelen 4, 5 en 9 van dit Protocol vervatte doelstellingen. Deze Technische Bijlage wordt door de Hoge Verdragsluitende Partijen op vrijwillige basis geïmplementeerd.

Registratie, opslag en vrijgave van informatie betreffende niet-gesprongen munitie (UXO) en achtergelaten ontplofbare munitie (AXO)Registratie van informatie :

Met betrekking tot ontplofbare munitie die UXO kan zijn geworden, dient een Staat ernaar te streven de volgende informatie zo nauwkeurig mogelijk te registreren :

  • de ligging van gebieden die getroffen zijn door het gebruik van ontplofbare munitie;
  • de geraamde hoeveelheid ontplofbare munitie die in de onder i. bedoelde gebieden is gebruikt;
  • de soort en aard van de ontplofbare munitie die in de onder i. bedoelde gebieden is gebruikt;
  • de globale locatie van bekende en vermoedelijke UXO.

Wanneer een Staat er gedurende operaties toe gedwongen is ontplofbare munitie achter te laten, dient hij ernaar te streven de AXO op een veilige en zekere wijze achter te laten en informatie betreffende deze munitie als volgt te registreren :

  • de locatie van de AXO;
  • de geraamde hoeveelheid AXO op elke specifieke locatie;
  • de soorten AXO op elke specifieke locatie.

Opslag van informatie :
Wanneer een staat informatie in overeenstemming met onderdeel a) heeft geregistreerd, moet deze op zodanige wijze worden opgeslagen dat deze kan worden teruggevonden en vervolgens in overeenstemming met onderdeel c) kan worden vrijgegeven.

Vrijgave van informatie :
Informatie die in overeenstemming met de onderdelen a) en b) door een Staat is geregistreerd en opgeslagen moet, met inachtneming van de veiligheidsbelangen en andere verplichtingen van de Staat die de informatie verstrekt, worden vrijgegeven in overeenstemming met de volgende bepalingen :Inhoud :
Wanneer de vrijgegeven informatie UXO betreft, moeten de volgende gegevens worden verstrekt :de globale locatie van bekende en waarschijnlijke UXO;
de soorten en de geraamde hoeveelheid ontplofbare munitie die in de getroffen gebieden is gebruikt;
de wijze van herkenning van de ontplofbare munitie, met inbegrip van kleur, omvang en vorm en andere relevante markeringen;
de wijze waarop de ontplofbare munitie veilig kan worden opgeruimd.
Wanneer de vrijgegeven informatie AXO betreft, moeten de volgende gegevens worden verstrekt :
de locatie van de AXO;
de geraamde hoeveelheid AXO op elke specifieke locatie;
de soorten AXO op elke specifieke locatie;
de wijze van herkenning van de AXO, met inbegrip van kleur, omvang en vorm;
informatie met betrekking tot de soorten en wijzen van verpakking van AXO;
de staat van gereedheid;
de locatie en aard van eventuele valstrikken waarvan de aanwezigheid in het gebied waarin zich AXO bevindt, bekend is.
Ontvanger :
De informatie dient te worden vrijgegeven aan de partij of partijen die gezag hebben over het getroffen gebied en aan die personen of instellingen ten aanzien waarvan de vrijgevende staat ervan overtuigd is dat deze betrokken zijn, of zullen zijn, bij het ruimen van UXO of AXO in het getroffen gebied, of bij de voorlichting van de burgerbevolking met betrekking tot de risico's van UXO of AXO.
Mechanisme :
Een Staat dient, wanneer haalbaar, voor de vrijgave van informatie gebruik te maken van daartoe internationaal of lokaal ingestelde mechanismen, bijvoorbeeld UNMAS, IMSMA of andere, door de vrijgevende staat geschikt geachte, gespecialiseerde instellingen.
Timing :
De informatie moet zo snel mogelijk worden vrijgegeven, met inachtneming van zaken als eventuele lopende militaire en humanitaire operaties in de getroffen gebieden, de beschikbaarheid en betrouwbaarheid van informatie en ter zake doende veiligheidskwesties.
Waarschuwingen, gevarenvoorlichting, markering, afzetting met hekken en bewaking
KernbegrippenWaarschuwingen zijn de nauwgezette verstrekking van waarschuwingsinformatie aan de burgerbevolking, met het oogmerk de risico's die worden veroorzaakt door ontplofbare oorlogsresten in getroffen gebieden, tot een minimum te beperken.
Gevarenvoorlichting aan de burgerbevolking dient te bestaan uit gevarenvoorlichtingsprogramma's ter vergemakkelijking van de informatieuitwisseling tussen getroffen gemeenschappen, de overheid en humanitaire organisaties, zodat de getroffen gemeenschappen op de hoogte worden gebracht van het gevaar dat van de ontplofbare oorlogsresten uitgaat. Gevarenvoorlichtingsprogramma's zijn doorgaans lange-termijnactiviteiten.
Best practice-onderdelen bij waarschuwing en gevarenvoorlichting
Bij alle waarschuwings- en gevarenvoorlichtingsprogramma's dient, waar mogelijk, rekening te worden gehouden met de geldende nationale en internationale normen, met inbegrip van de International Mine Action Standards.
Waarschuwingen en gevarenvoorlichting moeten worden verschaft aan de getroffen burgerbevolking, waaronder burgers die in of aan de rand van gebieden wonen die ontplofbare oorlogsresten bevatten en aan burgers die zich door deze gebieden verplaatsen.
Waarschuwingen moeten zo snel mogelijk, afhankelijk van de omstandigheden en de beschikbare informatie, worden gegeven. Een waarschuwingsprogramma moet zo snel mogelijk worden vervangen door een gevarenvoorlichtingsprogramma. Waarschuwingen en gevarenvoorlichting moeten altijd in een zo vroeg mogelijk stadium aan de getroffen gemeenschappen worden gegeven.
Wanneer de partijen bij een conflict niet beschikken over de middelen en vaardigheden om doeltreffende gevarenvoorlichting te geven, moeten zij een beroep doen op derden, zoals internationale organisaties en niet-gouvernementele organisaties.
Partijen bij een conflict moeten, indien mogelijk, voorzien in aanvullende middelen voor waarschuwingen en gevarenvoorlichting. Dit kan onder andere bestaan uit de levering van logistieke ondersteuning, de vervaardiging van gevarenvoorlichtingsmaterialen, financiële ondersteuning en algemene cartografische informatie.
Het markeren, met hekken afzetten en bewaken van een gebied waarin zich ontplofbare oorlogsresten bevinden
Wanneer mogelijk moeten de partijen bij een conflict er gedurende enig tijdstip gedurende het verloop van een conflict en daarna, wanneer sprake is van ontplofbare oorlogsresten, in een zo vroeg mogelijk stadium en in de grootst mogelijke mate ervoor zorgen dat gebieden met ontplofbare oorlogsresten, in overeenstemming met de volgende bepalingen worden gemarkeerd, met hekken worden afgezet en worden bewaakt om ervoor te zorgen dat burgers deze gebieden daadwerkelijk onmogelijk kunnen betreden.
Bij de markering van gebieden ten aanzien waarvan het vermoeden bestaat dat zij gevaarlijk zijn moeten waarschuwingstekens worden gebruikt op basis van markeringsmethoden die voor de getroffen gemeenschap herkenbaar zijn. Tekens en andere markeringen van de begrenzing van gevaarlijke gebieden moeten voor zover mogelijk zichtbaar, leesbaar, duurzaam en tegen omgevingsinvloeden bestand zijn en moeten duidelijk vermelden aan welke zijde van de gemarkeerde grens het door ontplofbare oorlogsresten getroffen gebied ligt en welke zijde als veilig wordt beschouwd.
Er moet een passende structuur in het leven worden geroepen die verantwoordelijk is voor de bewaking en het onderhoud van permanente en tijdelijke markeringssystemen, die deel moet gaan uitmaken van de nationale en lokale gevarenvoorlichtingsprogramma's.
Algemene preventieve maatregelen
Staten die ontplofbare munitie vervaardigen of aanschaffen moeten er voor zover mogelijk en op passende wijze naar streven te waarborgen dat de volgende maatregelen gedurende de levensduur van ontplofbare munitie worden geïmplementeerd en nageleefd.Beheer van de vervaardiging van munitieProductieprocessen moeten zodanig worden ontworpen dat een zo groot mogelijke betrouwbaarheid van de munitie wordt verkregen.
Productieprocessen moeten worden onderworpen aan officiële maatregelen op het gebied van kwaliteitsbeheersing,
Tijdens de productie van ontplofbare munitie moeten internationaal erkende officiële normen voor kwaliteitscontrole worden toegepast.
Afnametesten moeten worden uitgevoerd door middel van afvuur-beproevingen met scherpe munitie onder een reeks van omstandigheden of door middel van andere goedgekeurde procedures.
Bij transacties en overdrachten van ontplofbare munitie moeten strenge betrouwbaarheidsnormen worden verlangd.
Beheer van munitie
Teneinde een zo goed mogelijke betrouwbaarheid van ontplofbare munitie op de lange termijn te waarborgen, worden de staten aangemoedigd normen voor best practices en operationele procedures toe te passen met betrekking tot de opslag, het vervoer, de opslag te velde en het hanteren ervan, in overeenstemming met de volgende richtlijnen.Ontplofbare munitie moet, waar nodig, in veilige voorzieningen of geschikte containers worden opgeslagen die de ontplofbare munitie en de onderdelen ervan, indien nodig, in een beheerste atmosfeer beschermen.
Een staat moet ontplofbare munitie op zodanige wijze van en naar vervaardigings- of opslagslocaties en van en naar het inzetgebied vervoeren dat de ontplofbare munitie zo min mogelijk wordt beschadigd.
Bij de aanleg van voorraden en het vervoer van ontplofbare munitie moeten, waar nodig, geschikte containers en geconditioneerde omgevingen worden gebruikt,
De kans op explosies in opslagplaatsen moet tot een minimum worden beperkt door gebruikmaking van geschikte opslagvoorzieningen.
De Staten moeten geschikte procedures toepassen voor het registreren, traceren en beproeven van ontplofbare munitie, waaronder informatie met betrekking tot de vervaardigingsdatum van elk afzonderlijk genummerd ontplofbaar munitiestuk of elke reeks of partij, en informatie met betrekking tot de locaties waar de ontplofbare munitie zich heeft bevonden, onder welke omstandigheden deze opgeslagen is geweest, en aan welke omgevingsinvloeden deze is blootgesteld.
Opgeslagen ontplofbare munitie moet, waar dienstig, periodiek worden beproefd door middel van afvuren om te waarborgen dat de munitie naar wens functioneert.
Submunitie van opgeslagen ontplofbare munitie moet, waar dienstig, in een laboratorium worden beproefd om te waarborgen dat de munitie naar wens functioneert.
Teneinde de betrouwbaarheid van opgeslagen ontplofbare munitie te handhaven, moeten, waar nodig, naar aanleiding van informatie die is verkregen uit de registratie-, tracerings- en beproevingsprocedures, passende maatregelen worden genomen, waaronder aanpassing van de verwachte levensduur van de munitie.
Opleiding
De juiste opleiding van al het personeel dat betrokken is bij het hanteren, vervoeren en gebruiken van ontplofbare munitie is een belangrijke factor bij het streven naar zekerheid omtrent de betrouwbaarheid van de beoogde werking ervan. Daarom moeten de Staten geschikte opleidingsprogramma's invoeren en instandhouden, om ervoor te zorgen dat het personeel naar behoren is opgeleid op het gebied van de munitie waarmee zij moeten omgaan.
Overdracht
Een Staat die van plan is ontplofbare munitie naar een andere Staat over te dragen die voordien die soort ontplofbare munitie niet bezat, moet ernaar streven te waarborgen dat de ontvangende Staat de benodigde capaciteit heeft om die ontplofbare munitie op de juiste wijze op te slaan, in stand te houden en te gebruiken.
Toekomstige vervaardiging
Met het oog op het bereiken van een zo groot mogelijke betrouwbaarheid moet een Staat manieren en middelen onderzoeken ter verbetering van de betrouwbaarheid van ontplofbare munitie die hij voornemens is te vervaardigen of aan te schaffen.
Protocol inzake de explosieve oorlogsresten bij het Verdrag inzake het verbod of de beperking van het gebruik van bepaalde conventionele wapens die geacht kunnen worden buitensporig leed te veroorzaken of een niet-onderscheidende werking te hebben (Protocol V), aangenomen te Genève op 28 november 2003

Stel je vraag

  • Geboortedatum

  • verzend

Detail

  • Plaats: Genève
  • Aangenomen: 28-11-2003
  • Inwerkingtreding: 12-11-2006

In België

  • Ratificatie: 25-01-2010
  • Inwerkingtreding: 25-07-2010
  • Ondertekening: 01-01-1970
  • Publicatie: 01-03-2010
  • Geen voorbehoud of verklaring