Facultatief Protocol bij het Verdrag inzake de rechten van het kind, inzake kinderen in gewapend

 
Naast bescherming als burgers genieten kinderen onder het internationaal humanitair recht een bijzondere bescherming tegen rekrutering en deelname aan de vijandelijkheden en omwille van hun kwetsbaarheid als kind.

Ook het kinderrechtenverdrag van 1989 heeft in artikel 38 aandacht voor de bescherming van kinderen in gewapende conflicten. Dit artikel werd fel bekritiseerd omdat het als enige bepaling van het verdrag de leeftijd voor bescherming niet op 18 maar op 15 jaar vastlegt. Bovendien bood dit geen vooruitgang ten opzichte van de Aanvullende Protocollen van 1977. Daarom poogden een aantal staten een facultatief protocol bij het Kinderrechtenverdrag uit te werken die de minimumleeftijd voor rekrutering en deelname op 18 zou vastleggen.

De besprekingen hierover vonden plaats binnen de VN-werkgroep voor het uitwerken van het facultatieve protocol. Het was mede dankzij de druk van de ngo-wereld dat de werkgroep in januari 2000 een ontwerptekst kon voorleggen. Deze werd in mei 2000 door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties aanvaard.

De verdragstekst


De Staten die partij zijn bij dit Protocol,

Aangemoedigd door de overweldigende steun voor het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, die wijst op de algemene wil te ijveren voor de bevordering en de bescherming van de rechten van het kind;

Opnieuw bevestigend dat de rechten van het kind bijzondere bescherming vereisen en een oproep doend opdat de toestand van kinderen, zonder onderscheid, voortdurend wordt verbeterd en kinderen zich kunnen ontplooien en ontwikkelen in vreedzame en veilige omstandigheden;

Verontrust door de schadelijke en verstrekkende gevolgen van gewapende conflicten voor kinderen en de weerslag ervan op lange termijn voor het behoud van duurzame vrede, veiligheid en ontwikkeling;

Veroordelend het gegeven dat kinderen als doelwit worden gebruikt tijdens gewapende conflicten, alsmede dat plaatsen onder de bescherming van het internationaal recht rechtstreeks worden aangevallen, inzonderheid plaatsen waar zich over het algemeen veel kinderen bevinden, bijvoorbeeld scholen en ziekenhuizen;

Akte nemend van de aanvaarding van het Statuut van het Internationaal Strafgerechtshof, naar luid waarvan dienstplicht of inlijving van kinderen onder de leeftijd van vijftien jaar in de strijdkrachten van een Staat of actieve deelname van kinderen aan vijandelijkheden, een oorlogsmisdaad uitmaakt zowel in het kader van internationale als van niet-internationale gewapende conflicten;

Overwegend bijgevolg dat het met het oog op de versterking van de rechten erkend in het Verdrag inzake de rechten van het kind noodzakelijk is kinderen beter te beschermen tegen betrokkenheid bij gewapende conflicten;

Aangezien in Artikel 1 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind is gesteld dat voor de toepassing van het Verdrag wordt verstaan onder een kind ieder mens jonger dan achttien jaar tenzij volgens het op het kind van toepassing zijnde recht de meerderjarigheid eerder wordt bereikt;

Ervan overtuigd dat de goedkeuring van een Facultatief Protocol bij het Verdrag, waarin de minimumleeftijd wordt verhoogd voor eventuele inlijving in strijdkrachten en deelname aan vijandelijkheden daadwerkelijk zal bijdragen tot de tenuitvoerlegging van het beginsel dat het hoogste belang van het kind een hoofdbekommernis is in het kader van alle beslissingen aangaande kinderen;

Aangezien tijdens de 26ste Internationale Conferentie van het Rode Kruis en van de Rode Halve Maan in december 1995 onder meer de aanbeveling is geformuleerd dat de partijen bij een conflict alle mogelijke maatregelen treffen om te voorkomen dat kinderen onder de leeftijd van 18 jaar aan de vijandelijkheden deelnemen;

Verheugd over de unanieme aanvaarding in juni 1999 van Verdrag nr. 182 van de Internationale Arbeidsorganisatie in verband met het verbod op de ergste vormen van kinderarbeid en de onmiddellijke actie met het oog op de uitbanning ervan, naar luid waarvan gedwongen of verplichte inlijving van kinderen om hen in te zetten tijdens wapende conflicten verboden is;

Met grote bezorgdheid veroordelend de inlijving, de opleiding en de inzet van kinderen tijdens vijandelijkheden, binnen en buiten de nationale grenzen, door gewapende groepen die geen deel uitmaken van de strijdkrachten van een Staat en erkennend de verantwoordelijkheid van diegenen die kinderen daartoe inlijven, opleiden en inzetten;

Herinnerend aan de plicht van iedere partij bij een gewapend conflict om de bepalingen van het internationaal humanitair recht in acht te nemen;

Onderstrepend dat dit protocol de doelstellingen en de beginselen neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties, inzonderheid in Artikel 51, alsmede relevante normen van het humanitair recht onverlet laat;

Rekening ermee houdend dat voorwaarden van vrede en veiligheid gegrond op de volledige naleving van de doelstellingen en beginselen neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties en de inachtneming van de toepasselijke verdragen inzake de rechten van de mens van wezenlijk belang zijn om kinderen ten volle te beschermen, vooral tijdens gewapende conflicten en onder vreemde bezetting;

Indachtig de specifieke noden van kinderen die door hun economische of maatschappelijke toestand of omwille van hun geslacht bijzonder kwetsbaar zijn voor inlijving in of inzet tijdens vijandelijkheden, zulks in strijd met dit Protocol;

Indachtig ook de noodzaak rekening te houden met de economische, sociale en politieke omstandigheden die ten grondslag liggen aan de betrokkenheid van kinderen bij gewapende conflicten;

Overtuigd van de noodzaak de internationale samenwerking op te voeren met het oog op het lichamelijk en geestelijk herstel en de herintegratie in de maatschappij van kinderen die slachtoffer zijn van gewapende conflicten;

De deelname aanmoedigend van de gemeenschap en in het bijzonder van kinderen en kindslachtoffers met betrekking tot het verspreiden van informatie en educatieve programma's betreffende de toepassing van dit Protocol;

Zijn overeengekomen als volgt:

Artikel 1 - Rechtstreekse deelname
De Staten die partij zijn, nemen alle praktisch mogelijke maatregelen om te voorkomen dat de leden van hun strijdkrachten die de leeftijd van 18 jaar niet hebben bereikt rechtstreeks deelnemen aan vijandelijkheden.

Artikel 2 - Verplichte inlijving
De Staten die partij zijn, stellen alles in het werk om te voorkomen dat personen die de leeftijd van 18 jaar niet hebben bereikt, verplicht worden ingelijfd in hun strijdkrachten.

Artikel 3 - Vrijwillige dienstneming
De Staten die partij zijn, verhogen de minimumleeftijd voor vrijwillige dienstneming in de nationale strijdkrachten in vergelijking met de leeftijd bedoeld in Artikel 38, paragraaf 3, van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind, rekening houdend met de beginselen neergelegd in dat Artikel en erkennend dat personen die de leeftijd van 18 jaar niet hebben bereikt overeenkomstig het Verdrag bijzondere bescherming genieten.
Op het tijdstip van de bekrachtiging van of van de toetreding tot dit Protocol legt iedere Staat die partij is een bindende verklaring af waarin opgave is gedaan van de minimumleeftijd vanaf welke vrijwillige dienstneming in de nationale strijdkrachten wordt toegestaan en de voorzorgsmaatregelen uitgewerkt om te voorkomen dat die dienstneming gedwongen of afgedwongen is, nader zijn omschreven.

De Staten die partij zijn, en vrijwillig dienstneming in hun nationale strijdkrachten onder de leeftijd van 18 jaar toestaan, moeten voorzien in waarborgen die ertoe strekken ten minste te verzekeren dat:

  • Die dienstneming daadwerkelijk vrijwillig is;
  • Die dienstneming geschiedt met de instemming, met kennis van zaken, van de ouders of van de wettelijke vertegenwoordigers van de betrokken persoon;
  • De personen die dienst hebben genomen ten volle zijn voorgelicht over de taken die een dergelijke militaire dienst inhoudt;
  • Die personen een betrouwbaar bewijs leveren van hun leeftijd alvorens door de nationale strijdkrachten te worden aanvaard.

Iedere Staat die partij is, kan zijn verklaring te allen tijde versterken door middel van een kennisgeving ter zake gericht tot de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties die daarvan mededeling doet aan de andere Staten die partij zijn. Deze kennisgeving treedt in werking op de datum van ontvangst door de Secretaris-generaal.

De in paragraaf 1 van dit Artikel bedoelde verplichting de minimumleeftijd voor vrijwillige dienstneming te verhogen, is niet van toepassing op de onderwijsinrichtingen onder het beheer of onder het gezag van de strijdkrachten van de Staten die partij zijn, zulks overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 28 en 29 van het Verdrag inzake de Rechten van het Kind.

Artikel 4 - Gewapende groepen
Gewapende groepen die geen deel uitmaken van de strijdkrachten van een Staat mogen onder geen omstandigheden personen die de leeftijd van 18 niet hebben bereikt, inlijven of tijdens vijandelijkheden inzetten.

De Staten die partij zijn, nemen alle praktisch mogelijke maatregelen om de inlijving en het inzetten van die personen te voorkomen, inzonderheid door de goedkeuring van wettelijke maatregelen die ertoe strekken die praktijken te verbieden en te bestraffen.
De toepassing van dit Artikel van het Protocol laat de rechtstoestand van de partijen bij een gewapend conflict onverlet.

Artikel 5 -  Relatie met andere verdragen
Geen enkele bepaling van dit Protocol kan worden uitgelegd als een belemmering voor de toepassing van de bepalingen van de wetgeving van een Staat die partij is, van internationale verdragen of van het internationaal humanitair recht die gunstiger zijn voor de verwezenlijking van de rechten van het kind.

Artikel 6 - Nationale toepassingmaatregelen
Iedere Staat die partij is, neemt alle juridische, bestuurlijke en andere maatregelen die vereist zijn om de daadwerkelijke toepassing en inachtneming van het bepaalde in dit Protocol in zijn rechtsgebied te verzekeren.

De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe de beginselen en de bepalingen van dit Protocol op passende wijze algemeen bekend te maken, zowel aan volwassenen als aan kinderen.
De Staten die partij zijn nemen alle maatregelen die praktisch mogelijk zijn opdat de personen die onder hun bevoegdheid ressorteren en zijn ingelijfd of worden ingezet voor vijandelijkheden in strijd met dit Protocol worden gedemobiliseerd of op welke wijze dan ook van hun militaire verplichtingen worden ontheven. Indien zulks vereist is verlenen de Staten die partij zijn, aan deze personen iedere vorm van passende bijstand met het oog op hun lichamelijk en geestelijk herstel en hun herintegratie in de maatschappij.

Artikel 7 - Internationale samenwerking en bijstand
De Staten die partij zijn, werken samen met het oog op de toepassing van dit Protocol, inzonderheid ter voorkoming van activiteiten die strijdig zijn met het Protocol en met het oog op het herstel en de herintegratie in de maatschappij van de personen die het slachtoffer zijn van handelingen die strijdig zijn met dit Protocol, daaronder begrepen door middel van technische samenwerking en financiële bijstand. Voornoemde samenwerking en bijstand geschieden in overleg met de betrokken Staten die partij zijn en met de bevoegde internationale organisaties.
De Staten die partij zijn, en bij machte zijn om zulks te doen verlenen bijstand door middel van reeds bestaande multilaterale, bilaterale en andere programma's of, in voorkomend geval, in het kader van een fonds bestaande uit vrijwillige bijdragen dat is ingesteld overeenkomstig de regels bepaald door de Algemene Vergadering.

Artikel 8 - Rapportering
Iedere Staat die partij is, richt uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van het Protocol ten aanzien van de betrokken Staat, aan het Comité voor de Rechten van het Kind een verslag dat gedetailleerde informatie bevat over de door hem genomen maatregelen die uitvoering geven aan de bepalingen van dit Protocol, inzonderheid met betrekking tot deelneming en inlijving.
Na de overlegging van het uitvoerig verslag, vermeldt iedere Staat die partij is, in de verslagen die worden voorgelegd aan het Comité voor de Rechten van het Kind overeenkomstig Artikel 44 van het Verdrag alle nadere gegevens die betrekking hebben op de toepassing van dit Protocol. De andere Staten die partij zijn bij het Protocol dienen om de vijf jaar een verslag in.
Het Comité van de Rechten van het Kind kan aan de Staten die partij zijn, verzoeken om nadere gegevens die verband houden met de toepassing van dit Protocol.

Artikel 9 - Ondertekening, bekrachtiging en toetreding
Dit Protocol staat open voor ondertekening door iedere Staat die partij is bij het Verdrag of die het heeft ondertekend.
Dit Protocol moet worden bekrachtigd en staat open voor toetreding door iedere Staat. De akten van bekrachtiging of van toetreding worden neergelegd bij de Secretaris-generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties.
De Secretaris-generaal van de Verenigde Naties doet in zijn hoedanigheid van depositaris van het Protocol aan alle Staten die partij zijn bij het Verdrag en aan alle Staten die het Verdrag hebben ondertekend, mededeling van de neerlegging van iedere verklaring geformuleerd overeenkomstig artikel 3.

Artikel 10 - Inwerkingtreding
Dit Protocol treedt in werking drie maanden na de datum van neerlegging van de tiende akte van bekrachtiging of van toetreding.
Voor iedere Staat die dit Protocol bekrachtigt of ertoe toetreedt na de inwerkingtreding ervan, treedt het Protocol in werking een maand na de datum van de neerlegging door die Staat van zijn akte van bekrachtiging of van toetreding.

Artikel 11 - Opzegging
Iedere Staat die partij is, kan het Protocol te allen tijde opzeggen door middel van een schriftelijke kennisgeving gericht aan de Secretaris-generaal van de Organisatie van de Verenigde Naties, die daarvan mededeling doet aan de andere Staten die partij zijn bij het Verdrag en aan alle Staten die het Verdrag hebben ondertekend. De opzegging wordt van kracht een jaar na de datum waarop de Secretaris-generaal de opzegging heeft ontvangen. Indien de Staat die het Protocol wenst op te zeggen bij het verstrijken van die termijn van een jaar betrokken is bij een gewapend conflict, wordt de opzegging evenwel slechts van kracht na de beëindiging van dat conflict.
Die terugtrekking leidt er niet toe dat de Staat die partij is, wordt ontslagen van de verplichtingen krachtens dit Protocol met betrekking tot handelingen gesteld voor de datum waarop de opzegging van kracht wordt en doet generlei afbreuk aan de voortzetting van de behandeling van aangelegenheden die het Comité reeds in behandeling had voor de datum waarop de terugtrekking van kracht werd.

Artikel 12 - Wijziging
Iedere Staat die partij is, kan een wijziging voorstellen en deze indienen bij de Secretaris-generaal van de Verenigde Naties. De Secretaris-generaal deelt de voorgestelde wijziging vervolgens mede aan de Staten die partij zijn, met het verzoek hem te berichten of zij een conferentie van Staten die partij zijn verlangen, teneinde de voorstellen te bestuderen en in stemming te brengen. Indien, binnen vier maanden na de datum van deze mededeling, tenminste één derde van de Staten die partij zijn een dergelijke conferentie verlangt, roept de Secretaris-generaal de vergadering bijeen onder auspiciën van de Verenigde Naties. Iedere wijziging die door een meerderheid van de ter conferentie aanwezige Staten die partij zijn en die hun stem uitbrengen, wordt aangenomen, wordt ter goedkeuring voorgelegd aan de Algemene Vergadering.

Een wijziging die in overeenstemming met het eerste lid van dit artikel wordt aangenomen, treedt in werking wanneer zij is goedgekeurd door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties en aanvaard is door een twee derde meerderheid van de Staten die partij zijn.
Wanneer een wijziging in werking treedt, is zij bindend voor de Staten die partij zijn en die haar hebben aanvaard, terwijl de andere Staten die partij zijn gebonden zullen blijven door de bepalingen van dit Verdrag en door iedere voorgaande wijziging die zij hebben aanvaard.

Artikel 13 - Authentieke teksten
Dit Protocol, waarvan de Arabische, Chinese, Engelse, Franse, Russische en Spaanse tekst gelijkelijk authentiek zijn, wordt neergelegd in het archief van de Organisatie van de Verenigde Naties.
De Secretaris-generaal van de Verenigde Naties doet voor gelijkluidend gewaarmerkte afschriften van het Protocol toekomen aan alle Staten die partij zijn bij het Verdrag en aan alle Staten die het Verdrag hebben ondertekend.

Stel je vraag

  • Geboortedatum

  • verzend

Detail

  • Plaats: Genève
  • Aangenomen: 21-12-2001
  • Inwerkingtreding: 18-05-2004

In België

  • Ratificatie: 12-02-2001
  • Inwerkingtreding: 12-08-2004
  • Ondertekening: 21-12-2001
  • Publicatie: 18-03-2004
  • Geen voorbehoud of verklaring