Aanvullend Protocol bij de Conventies van Genève van 12 augustus 1949 inzake de bescherming van de slachtoffers van internationale gewapende conflicten (Protocol I)

Het Eerste Aanvullende Protocol bij de Verdragen van Genève is van toepassing in internationaal gewapende conflicten. Artikel 1(4) breidt dit uit tot gewapende conflicten waarin volkeren vechten tegen koloniale overheersing, vreemde bezetting en tegen racistische regimes.

Het Eerste Aanvullende Protocol bevat ook regels inzake het voeren van de vijandelijkheden. Voordien werd dit geregeld door de Verdragen van Den Haag van 1899 en 1907 en het internationale gewoonterecht. Rekening houdend met de datum van totstandkoming van de Verdragen van Den Haag is hun herbevestiging en ontwikkeling belangrijk, in het bijzonder voor de staten die niet betrokken waren bij de totstandkoming van deze verdragen.

De technische bijlage bij Protocol I werd in 1992 op basis van artikel 98 via een schriftelijke procedure herzien. De herziene technische bijlage trad op 1 maart 1994 in werking voor de staten die hiertegen geen bezwaar hadden laten optekenen. Dit gebeurde enkel door Zweden en Jordanië.

De Internationale Feitencommissie:
Om de garanties die slachtoffers van gewapende conflicten genieten, te waarborgen, voorziet artikel 90 van het Eerste Aanvullend Protocol in de oprichting van een Internationale Commissie  voor Feitenonderzoek. Deze Commissie heeft als opdracht beschuldigingen van oorlogsmisdaden of andere ernstige schendingen van het internationaal humanitair recht te onderzoeken.

De Internationale Commissie voor Feitenonderzoek kan een dergelijk onderzoek enkel met de toestemming van de betrokken partijen uitvoeren. Daartoe moeten de verdragsstaten de bevoegdheid van de commissie erkennen door een uitdrukkelijke verklaring.

De Internationale Feitencommissie werd in 1991 officieel opgericht, na de erkenning door 20 verdragsstaten.

De verdragstekst

reambule
Titel I - Algemene bepalingen
Titel II - Gewonden, zieken en schipbreukelingen
Titel III - Methoden en middelen van oorlogvoering - status van strijder en van krijgsgevangene
Titel IV - Burgerbevolking
Titel V - Tenuitvoerlegging van de verdragen en dit protocol
Titel VI - Slotbepalingen
 
Preambule
De Hoge Verdragsluitende Partijen,

Hun ernstig verlangen uitsprekende, vrede tussen de volkeren te zien heersen,

In herinnering brengende, dat iedere Staat, overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties, de plicht heeft zich in zijn internationale betrekkingen te onthouden van de dreiging met of het gebruik van geweld, hetzij gericht tegen de soevereiniteit, de territoriale integriteit of de politieke onafhankelijkheid van een Staat, hetzij op enige andere wijze die onverenigbaar is met de doelstellingen van de Verenigde Naties,

Van oordeel, dat het niettemin noodzakelijk is, de bepalingen ter bescherming van de slachtoffers van gewapende conflicten opnieuw te bevestigen en uit te breiden, en maatregelen toe te voegen met het oog op een strengere toepassing daarvan,

Hun overtuiging uitsprekende, dat geen enkele bepaling van dit Protocol of van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 kan worden uitgelegd als rechtvaardiging van of machtiging tot enige daad van agressie of van enig ander gebruik van geweld, onverenigbaar met het Handvest van de Verenigde Naties,

Voorts opnieuw bevestigende, dat de bepalingen van de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 en van dit Protocol ten volle dienen te worden toegepast in alle omstandigheden op alle personen die door deze akten worden beschermd, zonder enig nadelig onderscheid gebaseerd op de aard of de oorsprong van het gewapende conflict of op de motieven van of toegeschreven aan de Partijen bij het conflict,

Zijn het volgende overeengekomen,

 
Titel I - Algemene bepalingen
Artikel 1 - Algemene beginselen en toepassingsveld
De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich dit Protocol onder alle omstandigheden te eerbiedigen en te doen eerbiedigen.
In gevallen waarin niet wordt voorzien door dit Protocol of door andere internationale overeenkomsten blijven de burgers en strijders beschermd door en onderworpen aan de beginselen van het internationaal recht die voortvloeien uit de gevestigde gebruiken, de beginselen van menselijkheid en de eisen van het openbare rechtsbewustzijn.
Dit Protocol, dat een aanvulling vormt op de Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 voor de bescherming van oorlogsslachtoffers, is van toepassing in de situaties, bedoeld in de artikelen 2 van die Verdragen.
De situaties, bedoeld in de voorgaande paragraaf, omvatten mede gewapende conflicten waarin volkeren vechten tegen koloniale overheersing en vreemde bezetting en tegen racistische regimes, in de uitoefening van hun recht op zelfbeschikking zoals neergelegd in het Handvest van de Verenigde Naties en in de Verklaring betreffende de beginselen van het internationaal recht inzake vriendschappelijke betrekkingen en samenwerking tussen de Staten overeenkomstig het Handvest van de Verenigde Naties.
Artikel 2 - Definities
Voor de toepassing van dit Protocol:

betekent 'Eerste Verdrag', 'Tweede Verdrag', 'Derde Verdrag' en 'Vierde Verdrag' onderscheidelijk: het Verdrag van Genève van 12 augustus 1949 voor de verbetering van het lot der gewonden en zieken zich bevindende bij de strijdkrachten te velde; het Verdrag van Genève van 12 augustus 1949 voor de verbetering van het lot der gewonden, zieken en schipbreukelingen van de strijdkrachten ter zee; het Verdrag van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de behandeling van krijgsgevangenen; het Verdrag van Genève van 12 augustus 1949 betreffende de bescherming van burgers in oorlogstijd; betekent 'de Verdragen' de vier Verdragen van Genève van 12 augustus 1949 voor de bescherming van oorlogsslachtoffers;
betekent 'regels van het internationaal recht, toepasselijk in geval van gewapende conflicten': de in geval van gewapende conflicten toepasselijke regels, neergelegd in internationale overeenkomsten waarbij de Partijen bij het conflict Partij zijn, alsmede de algemeen erkende beginselen en regels van het internationaal recht die van toepassing zijn in geval van gewapende conflicten;
betekent 'beschermende Mogendheid': een neutrale Staat of een andere Staat die geen Partij is bij het conflict, welke door een Partij bij het conflict is aangewezen en door de Tegenpartij aanvaard en welke erin heeft toegestemd de taken, krachtens de Verdragen en dit Protocol aan een beschermende Mogendheid opgedragen, te vervullen;
betekent 'plaatsvervanger': een organisatie, optredend in de plaats van een beschermende Mogendheid overeenkomstig artikel 5.
Artikel 3 - Aanvang en einde van de toepassing
Onverminderd de bepalingen die te allen tijde van toepassing zijn:

zijn de Verdragen en dit Protocol van toepassing vanaf de aanvang van iedere situatie bedoeld in artikel 1 van dit Protocol;
neemt de toepassing van de Verdragen en van dit Protocol op het grondgebied van de Partijen bij het conflict een einde bij de algemene beëindiging van de militaire operaties en, in het geval van bezette gebieden, bij de beëindiging van de bezetting, behalve in beide gevallen voor die personen wiens definitieve invrijheidsstelling, repatriëring of nieuwe vestiging daarna plaatsvindt. Deze personen blijven de voordelen van de desbetreffende bepalingen van de Verdragen en dit Protocol genieten tot hun definitieve invrijheidsstelling, repatriëring of nieuwe vestiging.
Artikel 4 - Juridische status van de Partijen bij het conflict
De toepassing van de Verdragen en dit Protocol, alsook het sluiten van de overeenkomsten die daarin zijn voorzien, zijn niet van invloed op de juridische status van de Partijen bij het conflict. Noch de bezetting van een gebied, noch de toepassing van de verdragen en dit Protocol zijn van invloed op de juridische status van het desbetreffende gebied.

Artikel 5 - Aanwijzing van beschermende Mogendheden en van hun plaatsvervanger
Het is de plicht van de Partijen bij een conflict, om vanaf de aanvang van dat conflict de nakoming en de uitvoering van de Verdragen en dit Protocol te verzekeren door middel van toepassing van het stelsel van beschermende Mogendheden, dat onder andere aanwijzing en aanvaarding van die Mogendheden inhoudt overeenkomstig de volgende paragrafen. De beschermende Mogendheden dienen belast te worden met het beschermen van de belangen van de Partijen bij het conflict.
Bij de aanvang van een situatie als bedoeld in artikel 1 wijst iedere Partij bij het conflict onverwijld een beschermende Mogendheid aan met het oog op de toepassing van de Verdragen en dit Protocol en geeft, eveneens onverwijld en met hetzelfde doel, toestemming tot de werkzaamheden van een beschermende Mogendheid die zij na aanwijzing door de Tegenpartij als zodanig heeft aanvaard.
Indien bij de aanvang van een situatie als bedoeld in artikel 1 geen beschermende Mogendheid is aangewezen of aanvaard, biedt het Internationale Comité van het Rode Kruis, onverminderd het recht van enige andere onpartijdige humanitaire organisatie hetzelfde te doen, de Partijen bij het conflict zijn goede diensten aan met het oog op de onverwijlde aanwijzing van een beschermende Mogendheid die de instemming van de Partijen bij het conflict heeft. Te dien einde kan het Internationale Comité onder andere elke Partij verzoeken, een lijst voor te leggen van ten minste vijf Staten welke die Partij aanvaardbaar acht om te haren behoeve ten opzichte van een Tegenpartij als beschermende Mogendheid op te treden, en elke Tegenpartij te verzoeken, een lijst voor te leggen van tenminste vijf Staten die zij bereid is als beschermende Mogendheid van de andere Partij te aanvaarden; deze lijsten worden binnen de twee weken na de ontvangst van het verzoek toegezonden aan het Comité, dat deze vergelijkt en zal trachten de instemming te verkrijgen van iedere Staat die op beide lijsten voorkomt.
Indien er ondanks het bovenstaande geen beschermende Mogendheid is, dienen de Partijen bij het conflict onverwijld een aanbod te aanvaarden, dat kan worden gedaan door het Internationale Comité van het Rode Kruis of door enige andere organisatie die alle waarborgen van onpartijdigheid en doeltreffendheid biedt, na raadpleging van de bovenbedoelde Partijen en met inachtneming van de uitkomst van die raadplegingen, om op te treden als plaatsvervanger. Een zodanige plaatsvervanger kan zijn functie slechts uitoefenen met toestemming van de Partijen bij het conflict; de partijen bij het conflict moeten alles in het werk stellen om de werkzaamheden door de plaatsvervanger verricht bij de uitoefening van zijn taak krachtens de Verdragen en dit Protocol, te vergemakkelijken.
Overeenkomstig artikel 4 zijn de aanwijzing en de aanvaarding van beschermende Mogendheden met het oog op de toepassing van de Verdragen en dit Protocol niet van invloed op de juridische status van de partijen bij het conflict, of van enig gebied, daaronder begrepen bezet gebied.
Het feit dat de Partijen bij het conflict diplomatieke betrekkingen met elkaar onderhouden, of dat een Partij de bescherming van haar belangen en die van haar onderdanen aan een derde Staat heeft toevertrouwd overeenkomstig de regels van het internationaal recht betreffende de diplomatieke betrekkingen, vormt geen beletsel voor de aanwijzing van beschermende Mogendheden met het oog op de toepassing van de Verdragen en dit Protocol.
Iedere navolgende vermelding in dit Protocol van een beschermende Mogendheid omvat mede een plaatsvervanger.
Artikel 6 - Deskundige personen
De Hoge Verdragsluitende Partijen streven er ook in vredestijd naar met de hulp van nationale Rode Kruis (Rode Halve Maan, Rode Leeuw en Zon) -verenigingen, deskundig personeel op te leiden om de toepassing van de Verdragen en dit Protocol en in het bijzonder de werkzaamheden van de beschermende Mogendheid te vergemakkelijken.
De werving en de opleiding van zodanig personeel behoren tot de nationale competentie.
Het Internationale Comité van het Rode Kruis houdt de lijsten van de aldus opgeleide personen, die de Hoge Verdragsluitende Partijen met dat doel mochten hebben opgesteld en aan het Comité hebben toegezonden, ter beschikking van de Hoge Verdragsluitende Partijen.
De voorwaarden, waaraan de tewerkstelling van zodanig personeel buiten nationaal grondgebied is onderworpen, vormen per geval onderwerp van bijzondere overeenkomsten tussen de betrokken Partijen.
Artikel 7 - Bijeenkomsten
De depositaris van dit Protocol roept een bijeenkomst van de Hoge Verdragsluitende Partijen bijeen op verzoek van één of meer van die Partijen en met de instemming van de meerderheid van die Partijen, ten einde algemene problemen betreffende de toepassing van de Verdragen en dit Protocol te bestuderen.

 
Titel II - Gewonden, zieken en schipbreukelingen
Afdeling I - Algemene bescherming
Artikel 8 - Terminologie
Voor de toepassing van dit Protocol:

Betekent 'gewonden' en 'zieken': personen, hetzij militairen of burgers, die tengevolge van letsels, ziekte of een andere lichamelijke of geestelijke stoornis of onvermogen, geneeskundige bijstand of verzorging behoeven en die zich onthouden van iedere vijandelijke handeling. Deze termen omvatten eveneens kraamvrouwen, pasgeboren kinderen en andere personen die onmiddellijke geneeskundige bijstand of verzorging behoeven, zoals gebrekkigen en aanstaande moeders, en die zich onthouden van iedere vijandelijke handeling.
Betekent 'schipbreukelingen': personen, hetzij militairen of burgers, die op zee of in andere wateren in gevaar verkeren ten gevolge van tegenspoed, hen of het schip of het luchtvaartuig dat hen vervoert overkomen, en die zich onthouden van iedere vijandelijke handeling. Deze personen blijven, mits zij zich van iedere vijandelijke handeling blijven onthouden, beschouwd als schipbreukelingen tijdens hun redding totdat zij een andere status krachtens de Verdragen of dit Protocol verwerven.
Betekent 'geneeskundig personeel': de personen door een Partij bij het conflict aangewezen uitsluitend voor de doeleinden, vermeld onder punt e), of voor het beheer van geneeskundige formaties of voor het laten functioneren van of het beheer van geneeskundige transportmiddelen. Die aanwijzingen kunnen permanent of tijdelijk zijn. De term omvat mede:geneeskundig personeel van een Partij bij het conflict, hetzij militair of burgerlijk, daarbij inbegrepen het personeel, omschreven in het Eerste en het Tweede Verdrag, en datgene dat behoort tot een instelling voor de civiele bescherming;
geneeskundig personeel van nationale Rode Kruis (Rode Halve Maan, Rode Leeuw en zon) verenigingen en andere nationale verenigingen tot vrijwillige hulpverlening, die door een Partij bij het conflict zijn erkend en toegelaten;
geneeskundig personeel van geneeskundige formaties of geneeskundige transportmiddelen, als omschreven in artikel 9, tweede paragraaf.
betekent 'geestelijk personeel': personen, militairen of burgers zoals aalmoezeniers, die zich uitsluitend bezighouden met de uitoefening van hun ambt en verbonden zijn:aan de strijdkrachten van een Partij bij het conflict;
aan geneeskundige formaties of geneeskundige transportmiddelen van een Partij bij het conflict;
aan geneeskundige formaties of geneeskundige transportmiddelen, als omschreven in artikel 9, tweede paragraaf;
aan instellingen voor de civiele bescherming van een Partij bij het conflict.
De plaatsing van geestelijk personeel kan permanent of tijdelijk zijn, en de desbetreffende bepalingen, vermeld onder punt k) zijn op hen van toepassing.
Betekent 'geneeskundige formaties': inrichtingen en andere formaties hetzij militair of burgerlijk, ingericht voor geneeskundige doeleinden, te weten het opzoeken, verzamelen, vervoeren of behandelen – eerste hulp inbegrepen – van zieken, gewonden en schipbreukelingen en het stellen van diagnoses, alsmede voor het voorkomen van ziekten. De term omvat bijvoorbeeld hospitalen en andere dergelijke formaties, bloedtransfusiecentra, centra en instellingen voor preventieve geneeskunde, geneeskundige bevoorradingscentra en de opslagplaatsen van geneeskundig materieel en farmaceutische producten van die formaties. Geneeskundige formaties kunnen vast of mobiel, permanent of tijdelijk zijn.
Betekent 'geneeskundig transport': het transport te land, te water of door de lucht van de gewonden, zieken, schipbreukelingen, het geneeskundig en geestelijk personeel, de geneeskundige uitrusting of geneeskundige voorraden, beschermd door de Verdragen en dit Protocol.
Betekent 'geneeskundige transportmiddelen': alle transportmiddelen, hetzij militair of burgerlijk, permanent of tijdelijk, uitsluitend bestemd voor geneeskundig transport en onder het gezag van een bevoegde autoriteit van een Partij bij het conflict.
Betekent 'geneeskundig voertuig': ieder geneeskundig transportmiddel voor transport te land.
Betekent 'geneeskundige schepen en vaartuigen': ieder geneeskundig transportmiddel voor transport te water.
Betekent 'geneeskundig luchtvaartuig': ieder geneeskundig transportmiddel voor transport door de lucht.
Betekent 'permanent geneeskundig personeel', 'permanent geneeskundige formaties' en 'permanent geneeskundige transportmiddelen': het personeel en de formaties en transporten die uitsluitend zijn bestemd voor geneeskundige doeleinden voor onbepaalde tijd. Betekent 'tijdelijke geneeskundige transportmiddelen' het personeel en de formaties en transportmiddelen die uitsluitend worden gebruikt voor geneeskundige doeleinden voor een beperkte periode, gedurende die hele periode. Tenzij anders is aangegeven, omvatten de termen 'geneeskundig personeel', 'geneeskundige formaties' en 'geneeskundige transportmiddelen' zowel de permanente als de tijdelijke categorieën.
Betekent 'kenteken': het kenteken bestaande uit het rode kruis, de rode halve maan of de rode leeuw of zon op een wit veld, wanneer dit wordt gebruikt voor de bescherming van geneeskundige formaties en transportmiddelen en van geneeskundig en geestelijk personeel, van geneeskundige uitrusting of voorraden.
Betekent 'herkenningssein': ieder sein of iedere mededeling, in Hoofdstuk III van de Bijlage bij dit Protocol omschreven en uitsluitend bestemd voor de identificatie van geneeskundige formaties of transportmiddelen.
Artikel 9 - Toepassingsveld
Deze Titel waarvan de bepalingen zijn bedoeld om de toestand van de gewonden, zieken en schipbreukelingen te verbeteren, is van toepassing op allen die zich in een situatie bevinden als bedoeld in artikel 1, zonder enig nadelig onderscheid gebaseerd op ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst of geloof, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, rijkdom, geboorte of andere status, of op enig ander soortgelijk criterium.
De desbetreffende bepalingen van de artikelen 27 en 32 van het Eerste Verdrag zijn van toepassing op permanente geneeskundige formaties en transportmiddelen (met uitzondering van hospitaalschepen, waarop artikel 25 van het Tweede Verdrag van toepassing is) en het personeel daarvan, die voor humanitaire doeleinden ter beschikking van een Partij bij het conflict zijn gesteld:door een neutrale Staat of een andere Staat die geen Partij is bij dat conflict;
door een erkende en toegelaten vereniging tot hulpverlening van een dergelijke Staat;
door een onpartijdige internationale humanitaire organisatie.
Artikel 10 - Bescherming en verzorging
Alle gewonden, zieken en schipbreukelingen, tot welke Partij zij ook behoren, dienen te worden ontzien en beschermd.
Zij moeten onder alle omstandigheden menselijk worden behandeld en in de grootst mogelijke omvang en binnen de kortst mogelijke tijd de geneeskundige verzorging en aandacht ontvangen die hun toestand vereist. Er mag op geen andere dan op geneeskundige gronden onderscheid tussen hen worden gemaakt.
Artikel 11 - Bescherming van personen
De lichamelijke of geestelijke gezondheid en integriteit van personen die zich in de macht van de Tegenpartij bevinden of die zijn geïnterneerd, die gevangen worden gehouden of op andere wijze van hun vrijheid zijn beroofd ten gevolge van een situatie zoals bedoeld in artikel 1, mogen niet door enig ongerechtvaardigd handelen of nalaten in gevaar worden gebracht. Dientengevolge is het verboden de personen bedoeld in dit artikel te onderwerpen aan geneeskundige handelingen die niet noodzakelijk zijn als gevolg van de gezondheidstoestand van de betrokken persoon en die niet in overeenstemming zijn met de algemeen aanvaarde geneeskundige normen welke onder gelijke geneeskundige omstandigheden zouden worden toegepast ten aanzien van personen die onderdaan zijn van de voor de handelingen verantwoordelijke Partij en die op geen enkele wijze van hun vrijheid zijn beroofd.
Het is in het bijzonder verboden bij dergelijke personen, zelfs met hun toestemming uit te voeren:lichamelijke verminkingen;
geneeskundige of wetenschappelijke experimenten;
verwijdering van weefsel of organen voor transplantatie, behalve wanneer die handelingen gerechtvaardigd zijn overeenkomstig de voorwaarden voorzien in de eerste paragraaf.
Uitzonderingen op het verbod voorzien in de tweede paragraaf, c), kunnen alleen worden gemaakt in het geval dat bloed wordt afgestaan voor transfusie, of huid voor transplantatie, mits dit vrijwillig en zonder enige dwang of aandrang geschiedt, en dan nog slechts voor therapeutische doeleinden, onder omstandigheden die beantwoorden aan de algemeen aanvaarde geneeskundige normen en maatregelen van toezicht, die zowel het belang van de donor als van de ontvanger beogen.
Ieder opzettelijk handelen of nalaten, dat de lichamelijke of geestelijke gezondheid of integriteit in gevaar brengt van enige persoon die zich in de macht bevindt van een andere Partij dan de Partij waartoe hij behoort en dat hetzij een overtreding vormt van een van de verboden, vermeld in de eerste of tweede paragraaf, hetzij niet in overeenstemming is met de vereisten, voorgeschreven in de derde paragraaf, maakt een ernstige inbreuk uit op dit Protocol.
De personen, bedoeld in de eerste paragraaf, hebben het recht om iedere operatieve ingreep te weigeren. In het geval van een weigering dient het geneeskundig personeel te trachten een desbetreffende schriftelijke verklaring, ondertekend of bevestigd door de patiënt te verkrijgen.
Iedere Partij bij het conflict moet een geneeskundig dossier bijhouden van alle gevallen van het afstaan van bloed voor transfusie of huid voor transplantatie door personen, bedoeld in de eerste paragraaf, indien die afstand geschiedt onder verantwoordelijkheid van die Partij. Bovendien dient iedere Partij bij het conflict te trachten een dossier bij te houden van alle geneeskundige handelingen, uitgevoerd met betrekking tot iedere persoon die is geïnterneerd, die gevangen wordt gehouden of op andere wijze van zijn vrijheid is beroofd ten gevolge van een situatie als bedoeld in artikel 1. Deze dossiers dienen te allen tijde voor onderzoek door de beschermende Mogendheid beschikbaar te zijn.
Artikel 12 - Bescherming van geneeskundige formaties
Geneeskundige formaties dienen te allen tijde te worden ontzien en beschermd en mogen niet worden aangevallen.
De eerste paragraaf is van toepassing op de burgerlijke geneeskundige formaties, mits zij aan één van de volgende voorwaarden voldoen:tot een van de Partijen bij het conflict behoren;
erkend en toegelaten zijn door de bevoegde autoriteiten van een van de Partijen bij het conflict;
toegelaten zijn overeenkomstig artikel 9, eerste paragraaf van dit Protocol of van artikel 27 van het Eerste Verdrag.
De Partijen bij het conflict worden uitgenodigd elkaar van de plaats waar hun vast geneeskundige formaties zich bevinden, in kennis te stellen. Het ontbreken van een dergelijke kennisgeving ontheft geen van de Partijen van de verplichting, aan de bepalingen van de eerste paragraaf te voldoen.
Onder geen enkele omstandigheid mogen de geneeskundige formaties worden gebruikt om te trachten militaire objectieven tegen aanvallen te beschermen. De Partijen bij het conflict dienen er, zo mogelijk, zorg voor te dragen dat de geneeskundige formaties zich op zodanige plaatsen bevinden, dat aanvallen op militaire objectieven hun veiligheid niet in gevaar brengen.
Artikel 13 - Beëindiging van de bescherming van burgerlijke geneeskundige formaties
De bescherming waarop de burgerlijke geneeskundige formaties recht hebben eindigt alleen wanneer deze worden gebruikt om buiten hun humanitaire taak voor de vijand schadelijke handelingen te verrichten. De bescherming eindigt evenwel slechts nadat een sommatie is gegeven waarin, telkens wanneer daartoe aanleiding is, een redelijke termijn wordt gesteld en nadat aan die sommatie geen gevolg is gegeven.
Als voor de vijand schadelijke handelingen worden niet beschouwd:het feit dat het personeel van de formatie is uitgerust met lichte persoonlijke wapens voor eigen verdediging of voor die van gewonden en zieken, met de zorg waarvoor het is belast;
het feit dat de formatie wordt bewaakt door een piket, door schildwachten of door een geleide;
het feit dat draagbare wapens en munitie, die van de gewonden en zieken zijn afgenomen en nog niet aan de bevoegde dienst zijn afgeleverd, in de formatie worden aangetroffen;
het feit dat de leden van de strijdkrachten of andere strijders zich om geneeskundige redenen bij de formatie bevinden
Artikel 14 - Beperkingen op het vorderen van burgerlijke geneeskundige formaties
De bezettende Mogendheid heeft de plicht te verzekeren dat onafgebroken kan worden voorzien in de geneeskundige behoeften van de burgerbevolking in bezet gebied.
De bezettende Mogendheid mag derhalve geen burgerlijke geneeskundige formaties, hun uitrusting, hun materiaal of de diensten van hun personeel vorderen, zolang die hulpmiddelen noodzakelijk zijn voor het verschaffen van toereikende geneeskundige diensten ten behoeve van de burgerbevolking en voor de voortzetting van de geneeskundige verzorging van de gewonden en zieken die reeds onder behandeling zijn.
De bezettende Mogendheid mag, mits zij de algemene regel neergelegd in de tweede paragraaf in acht blijft nemen, de bovenvermelde hulpmiddelen vorderen onder de volgende bijzondere voorwaarden:dat de hulpmiddelen nodig zijn voor een toereikende en onmiddellijke geneeskundige behandeling van de gewonden en zieken van de strijdkrachten van de bezettende Mogendheid of van krijgsgevangenen;
dat de vordering slechts duurt zolang deze noodzaak bestaat;
dat onmiddellijk maatregelen worden genomen om te verzekeren dat onafgebroken kan worden voorzien in de geneeskundige behoeften van de burgerbevolking, evenals in die van de gewonden en zieken onder behandeling die door de vordering worden getroffen.
Artikel 15 - Bescherming van burgerlijk geneeskundig en geestelijk personeel
Burgerlijk geneeskundig personeel dient te worden ontzien en beschermd.
Met alle beschikbare middelen moet, indien nodig, hulp worden verleend aan het burgerlijk geneeskundig personeel in gebieden waar de burgerlijke geneeskundige diensten door de vijandelijkheden zijn ontwricht.
De bezettende Mogendheid moet het burgerlijk geneeskundig personeel in bezette gebieden alle bijstand verlenen om het in staat te stellen naar best vermogen zijn humanitaire taak te vervullen. De bezettende Mogendheid mag niet eisen dat dit personeel bij de uitoefening van die taak voorrang geeft aan de behandeling van enige persoon, behalve op geneeskundige gronden. Het mag niet worden verplicht taken te verrichten die onverenigbaar zijn met zijn humanitaire opdracht.
Het burgerlijk geneeskundig personeel zal toegang hebben tot alle plaatsen waar zijn diensten onmisbaar zijn, onder voorbehoud van de toezichts- en veiligheidsmaatregelen die de desbetreffende Partij bij het conflict noodzakelijk acht.
Het burgerlijk geestelijk personeel dient te worden ontzien en beschermd. De bepalingen van de Verdragen en dit Protocol betreffende de bescherming en de herkenbaarheid van het geneeskundig personeel zijn evenzo op hen toepasselijk.
Artikel 16 - Algemene bescherming van de geneeskundige taakvervulling
Niemand mag, onder welke omstandigheden ook, worden gestraft voor het uitvoeren van geneeskundige handelingen die met de geneeskundige deontologie in overeenstemming zijn, ongeacht degenen aan wie deze handelingen ten goede komen.
Personen die geneeskundige handelingen uitvoeren mogen niet worden verplicht daden of werkzaamheden te verrichten die in strijd zijn met de regels van de geneeskundige deontologie of met andere geneeskundige regels, opgesteld in het belang van de gewonden en de zieken, of met de bepalingen van de Verdragen en dit Protocol, noch mogen zij worden gedwongen af te zien van het verrichten van daden of werkzaamheden, door die regels en bepalingen voorgeschreven.
Niemand die geneeskundige handelingen uitvoert mag worden verplicht aan iemand die behoort tot een Tegenpartij of tot zijn eigen Partij, behalve voor zover dat door de wetgeving van de laatstbedoelde Partij wordt vereist, inlichtingen te verstrekken betreffende de gewonden en zieken die hij verzorgt of heeft verzorgd, indien deze inlichtingen naar zijn oordeel schadelijk zouden kunnen zijn voor de desbetreffende patiënten of hun families. De voorschriften inzake de verplichte melding van besmettelijke ziekten dienen evenwel in acht te worden genomen.
Artikel 17 - Rol van de burgerbevolking en van de verenigingen tot hulpverlening
De burgerbevolking dient de gewonden, zieken en schipbreukelingen te ontzien, zelfs indien deze tot de Tegenpartij behoren, en mag geen gewelddaden tegen hen begaan. Aan de burgerbevolking en de verenigingen tot hulpverlening, zoals nationale Rode Kruis (Rode Halve Maan, Rode Leeuw en Zon) vereniging is het toegestaan, zelfs uit eigen beweging de gewonden, zieken en schipbreukelingen te verzamelen en te verzorgen, zelfs in gebieden waar een inval heeft plaatsgevonden of die zijn bezet. Niemand mag worden lastiggevallen, vervolgd, veroordeeld of gestraft voor dergelijke humanitaire handelingen.
De Partijen bij het conflict kunnen een beroep doen op de burgerbevolking en de verenigingen tot hulpverlening, bedoeld in de eerste paragraaf, om de gewonden, zieken en schipbreukelingen te verzamelen en te verzorgen, naar de doden te zoeken en de plaats waar deze zich bevinden te melden; de Partijen dienen zowel bescherming als de noodzakelijke faciliteiten te verlenen aan diegenen die aan dit beroep gevolg hebben gegeven. Indien de Tegenpartij het gebied in haar macht mocht krijgen of herkrijgen, moet zij deze bescherming en faciliteiten blijven verlenen zolang zij noodzakelijk zijn.
Artikel 18 - Identificatie
Iedere Partij bij het conflict moet de herkenbaarheid trachten te verzekeren van het geneeskundig en geestelijk personeel en de geneeskundige formaties en transporten.
Iedere Partij bij het conflict moet eveneens trachten werkwijzen en procedures te aanvaarden en ten uitvoer te leggen die het mogelijk maken geneeskundige formaties en transporten te herkennen die het kenteken en de herkenningsseinen gebruiken.
In het bezet gebied en in de gebieden waar gevechten plaatsvinden of vermoedelijk zullen plaatsvinden, dient het burgerlijk geneeskundig en geestelijk personeel in het algemeen herkenbaar te zijn aan het kenteken en aan de identiteitskaart waaruit hun status blijkt.
De geneeskundige formaties en transportmiddelen moeten, met toestemming van de bevoegde autoriteit, zijn voorzien van het kenteken. De schepen en vaartuigen, bedoeld in artikel 22 van dit Protocol, moeten van kentekenen zijn voorzien, overeenkomstig de bepalingen van het Tweede Verdrag.
Een partij bij het conflict kan, als bepaald in Hoofdstuk III van Bijlage I bij dit Protocol, het gebruik van herkenningsseinen naast het kenteken toestaan ter identificatie van geneeskundige formaties en transportmiddelen. Bij wijze van uitzondering mogen geneeskundige transportmiddelen in de bijzondere in dat Hoofdstuk genoemde gevallen, herkenningsseinen gebruiken zonder het kenteken te tonen.
De uitvoering van de bepalingen van de eerste tot en met de vijfde paragraaf van dit artikel wordt beheerst door de Hoofdstukken I tot en met III van de Bijlage bij dit Protocol. De seinen in Hoofdstuk III van de Bijlage omschreven en uitsluitend bestemd voor het gebruik door geneeskundige formaties en transportmiddelen mogen, behalve als in dat Hoofdstuk bepaald voor geen andere doeleinden worden gebruikt dan ter identificatie van de in dat Hoofdstuk omschreven geneeskundige formaties en transportmiddelen.
Dit artikel staat geen uitgebreider gebruik van het kenteken toe in vredestijd dan is bepaald in artikel 44 van het Eerste Verdrag.
De bepalingen van de Verdragen en het Protocol betreffende het toezicht op het gebruik van het kenteken en betreffende het voorkomen en het tegengaan van enig misbruik daarvan zijn van toepassing op herkenningsseinen.
Artikel 19 - Neutrale Staten en andere Staten die geen Partij zijn bij het conflict
Neutrale Staten en andere Staten die geen Partij zijn bij het conflict dienen de desbetreffende bepalingen van dit Protocol toe te passen ten aanzien van de personen die door deze Afdeling worden beschermd en die op hun grondgebeid mochten worden toegelaten of geïnterneerd, alsmede op alle doden van de Partijen bij het conflict die zij mochten vinden.

Artikel 20 - Verbod van represailles
Represailles tegen personen of goederen die door deze Afdeling worden beschermd zijn verboden.

Afdeling II - Geneeskundige transporten
Artikel 21 - Geneeskundige voertuigen
Geneeskundige voertuigen dienen te worden ontzien en beschermd op dezelfde wijze als mobiele geneeskundige formaties krachtens de Verdragen en dit Protocol.

Artikel 22 - Hospitaalschepen en kustreddingsboten
De bepalingen van de Verdragen betreffende:de vaartuigen, omschreven in de artikelen 22, 24, 25 en 27 van het Tweede Verdrag,
hun reddingsboten en kleine vaartuigen,
hun personeel en bemanningen,
de gewonden, zieken en schipbreukelingen aan boord,

zijn eveneens van toepassing wanneer die vaartuigen burgers vervoeren die gewond, ziek of schipbreukeling zijn en niet behoren tot een van de categorieën, vermeld in artikel 13 van het Tweede Verdrag. Die burgers mogen evenwel niet worden overgedragen aan enige Partij die niet hun eigen Partij is, noch op zee gevangen worden genomen. Indien zij zich in de macht bevinden van een andere Partij bij het conflict dan hun eigen Partij, zijn het Vierde Verdrag en dit Protocol op hen van toepassing.
De bescherming door de Verdragen verleend aan de vaartuigen, omschreven in artikel 25 van het Tweede Verdrag, strekt zich mede uit tot de hospitaalschepen, voor humanitaire doeleinden aan een Partij bij het conflict ter beschikking gesteld:door een neutrale Staat of een andere Staat die geen Partij is bij dat conflict;
door een onpartijdige internationale humanitaire organisatie mits in beide gevallen aan de in dat artikel vermelde vereisten is voldaan.
Kleine vaartuigen, omschreven in artikel 27 van het Tweede Verdrag, dienen te worden beschermd, zelfs indien de in dat artikel bedoelde kennisgeving niet is gedaan. De Partijen bij het conflict worden evenwel uitgenodigd elkaar van alle bijzonderheden met betrekking tot die vaartuigen in kennis te stellen, ten einde de identificatie en herkenning daarvan te vergemakkelijken.
Artikel 23 - Andere geneeskundige schepen en vaartuigen
Geneeskundige schepen en vaartuigen, andere dan diegene bedoeld in artikel 22 van dit Protocol en artikel 38 van het Tweede Verdrag dienen, hetzij op zee of in andere wateren, te worden ontzien en beschermd op dezelfde wijze als de mobiele geneeskundige formaties krachtens de Verdragen en dit Protocol. Deze schepen dienen, daar de bovengenoemde bescherming slechts kan worden verwezenlijkt indien zij kunnen worden geïdentificeerd en herkend als geneeskundige schepen of vaartuigen, te zijn voorzien van het kenteken, en zoveel mogelijk te voldoen aan het bepaalde in artikel 43, tweede paragraaf van het Tweede Verdrag.
De schepen en vaartuigen, bedoeld in de eerste paragraaf, blijven onderworpen aan het oorlogsrecht. Ieder oorlogsschip dat aan de oppervlakte vaart en in staat is de opvolging van zijn bevel terstond af te dwingen, kan hun bevelen te stoppen, zich te verwijderen of een bepaalde route te volgen, en zij dienen ieder zodanig bevel op te volgen. Deze schepen en vaartuigen mogen, zolang zij nodig zijn voor de gewonden, zieken en schipbreukelingen aan boord, op geen enkele andere wijze aan hun geneeskundige taak worden onttrokken.
De bescherming, verleend in de eerste paragraaf, eindigt alleen in de omstandigheden, vermeld in de artikelen 34 en 35 van het Tweede Verdrag. Een duidelijke weigering om een bevel, gegeven overeenkomstig de tweede paragraaf, op te volgen vormt een voor de vijand schadelijke handeling krachtens artikel 34 van het Tweede Verdrag.
Een Partij bij het conflict kan iedere Tegenpartij, zolang als mogelijk is voor het vertrek van een geneeskundig schip of vaartuig, in kennis stellen van de naam, de klasse, de verwachte vertrektijd, de route en de geschatte snelheid ervan, in het bijzonder in het geval van schepen met een bruto inhoud van meer dan 2000 ton, en kan voorts alle gegevens verstrekken ter vergemakkelijking van de identificatie en herkenning. De Tegenpartij moet de ontvangst van die gegevens bevestigen.
De bepalingen van artikel 37 van het Tweede Verdrag zijn van toepassing op het geneeskundig en geestelijk personeel op die schepen en vaartuigen.
De bepalingen van het Tweede Verdrag zijn van toepassing op de gewonden, zieken en schipbreukelingen, die behoren tot de categorieën bedoeld in artikel 13 van het Tweede Verdrag en artikel 44 van dit Protocol, en die zich aan boord van dergelijke schepen en vaartuigen mochten bevinden. De burgers die gewond, ziek of schipbreukeling zijn en niet behoren tot een van de categorieën, vermeld in artikel 13 van het Tweede Verdrag, kunnen op zee niet worden overgedragen aan een Partij die niet hun Partij is, noch kunnen zij van dergelijke schepen of vaartuigen worden verwijderd; indien zij zich in de macht bevinden van een andere Partij bij het conflict dan hun eigen Partij, zijn het Vierde Verdrag en dit Protocol op hen van toepassing.
Artikel 24 - Bescherming van geneeskundige luchtvaartuigen
Geneeskundige luchtvaartuigen dienen te worden ontzien en beschermd overeenkomstig de bepalingen van deze Titel.

Artikel 25 - Geneeskundige luchtvaartuigen in gebieden die niet onder controle zijn van een Tegenpartij
In landgebieden die door bevriende strijdkrachten feitelijk worden beheerst en in het luchtruim daarboven, of in zeegebieden die niet feitelijk door een Tegenpartij worden beheerst en in het luchtruim daarboven, is voor het ontzien en de bescherming van geneeskundige luchtvaartuigen van een Partij bij het conflict, geen enkele overeenkomst met een Tegenpartij vereist. Een Partij bij het conflict die in deze gebieden van haar geneeskundige luchtvaartuigen gebruik maakt kan evenwel, met het oog op een grotere veiligheid, een kennisgeving als voorzien in artikel 29 tot de Tegenpartij richten, in het bijzonder wanneer die luchtvaartuigen vluchten uitvoeren die hen binnen het bereik brengen van grond-lucht-wapensystemen van de Tegenpartij.

Artikel 26 - Geneeskundige luchtvaartuigen in contactzones of soortgelijke zones
In die delen van de contactzone die door bevriende strijdkrachten feitelijk worden beheerst en in het luchtruim daarboven, en in die gebieden die niet door een bepaalde Partij feitelijk worden beheerst en in het luchtruim daarboven, kan de bescherming van de geneeskundige luchtvaartuigen slechts volkomen doeltreffend plaatsvinden krachtens een voorafgaand akkoord tussen de bevoegde militaire autoriteiten van de Partijen bij het conflict, als voorzien in artikel 29. Ofschoon bij afwezigheid van een dergelijk akkoord de geneeskundige luchtvaartuigen hun werkzaamheden op eigen risico verrichten, moeten zij worden ontzien wanneer zij als zodanig zijn herkend.
'Contactzone' betekent: ieder landgebied waar de vooruitgeschoven onderdelen van de tegenover elkaar staand strijdkrachten in contact zijn, in het bijzonder waar zij zijn blootgesteld aan rechtstreeks vuur vanaf de grond.
Artikel 27 - Geneeskundige luchtvaartuigen in gebieden die worden beheerst door een Tegenpartij
De geneeskundige luchtvaartuigen van een Partij bij het conflict blijven beschermd, wanneer zij over land- of zeegebieden vliegen, die door een Tegenpartij feitelijk worden beheerst, mits van de bevoegde autoriteit van die Tegenpartij van tevoren toestemming voor die vluchten is verkregen.
Een geneeskundig luchtvaartuig dat over een gebied vliegt dat door een Tegenpartij feitelijk wordt beheerst, zonder de in de eerste paragraaf voorziene toestemming of in afwijking van de voorwaarden, verbonden aan een dergelijke toestemming hetzij door een navigatiefout of ten gevolge van een noodtoestand die de veiligheid van de vlucht in gevaar brengt, dient alles in het werk te stellen om zich te identificeren en de Tegenpartij van de omstandigheden in kennis te stellen. Zodra een zodanig geneeskundig luchtvaartuig door de Tegenpartij is herkend, dient die Partij in redelijkheid alles in het werk te stellen om het bevel tot landen of tot het neerstrijken op het water, als bedoeld in artikel 30, te geven, of om andere maatregelen ter beveiliging van haar eigen belangen te nemen, en in beide gevallen het luchtvaartuig tijd te geven aan dat bevel te voldoen of zich naar die maatregelen te gedragen, alvorens tot een aanval tegen het luchtvaartuig over te gaan.
Artikel 28 - Beperkingen op het gebruik van geneeskundige luchtvaartuigen
Het is de Partijen bij het conflict verboden hun geneeskundige luchtvaartuigen te gebruiken om enig militair voordeel over een Tegenpartij te behalen. De aanwezigheid van geneeskundige luchtvaartuigen mag niet worden gebruikt om te trachten militaire objectieven voor aanvallen te vrijwaren.
De geneeskundige luchtvaartuigen mogen niet worden gebruikt om militaire inlichtingen te verzamelen of over te brengen, en mogen geen enkele uitrusting, voor die doeleinden bestemd, vervoeren. Het is hun verboden personen of lading te veroveren, die niet vallen onder de definitie, opgenomen in artikel 8, letter f). Het vervoer aan boord van de persoonlijke bezittingen van de inzittenden of van materieel, uitsluitend bestemd om de navigatie, de communicatie of de identificatie te vergemakkelijken, wordt niet als verboden beschouwd.
De geneeskundige luchtvaartuigen mogen geen wapens vervoeren, behalve draagbare wapens en munitie die van de gewonden, zieken en schipbreukelingen aan boord zijn afgenomen en nog niet aan de bevoegde dienst zijn afgeleverd, en die lichte persoonlijke wapens die nodig zijn om het geneeskundig personeel aan boord in staat te stellen zichzelf en de gewonden, zieken en schipbreukelingen met de zorg waarvoor het is belast, te verdedigen.
De geneeskundige luchtvaartuigen mogen, wanneer zij de vluchten, bedoeld in de artikelen 26 en 27, niet worden gebruikt om naar gewonden, zieken en schipbreukelingen te zoeken, zonder dat daarover een voorafgaand akkoord met de Tegenpartij is bereikt.
Artikel 29 - Kennisgevingen en afspraken inzake geneeskundige luchtvaartuigen
De kennisgevingen krachtens artikel 25, of de verzoeken om voorafgaand akkoord krachtens de artikelen 26, 27, 28, vierde paragraaf, of 31, moeten het aantal geneeskundige luchtvaartuigen dat men voornemens is te gebruiken, het vluchtplan en de middelen ter identificatie aangeven en worden geacht in te houden, dat elke vlucht zal worden uitgevoerd met inachtneming van artikel 28.
Een Partij die een kennisgeving gedaan krachtens artikel 25 ontvangt, moet de ontvangst van die kennisgeving onmiddellijk bevestigen.
Een Partij die een verzoek om voorafgaand akkoord krachtens de artikelen 26, 27, 28, vierde paragraaf, of 31 ontvangt, moet de verzoekende Partij zo snel mogelijk:mededelen dat het verzoek is ingewilligd,
mededelen dat het verzoek is geweigerd, of
een redelijk tegenvoorstel met betrekking tot het verzoek doen. Zij kan eveneens een verbod of een beperking van andere vluchten in het gebied gedurende de desbetreffende periode voorstellen. Indien de Partij die het verzoek heeft gedaan de tegenvoorstellen aanvaardt, stelt zij de andere Partij van de aanvaarding in kennis.
De Partijen moeten de nodige maatregelen nemen om te verzekeren dat de kennisgevingen snel kunnen worden gedaan en de afspraken snel kunnen worden bereikt.
De Partijen moeten eveneens de nodige maatregelen nemen om hetgeen die kennisgevingen en die afspraken behelzen snel aan de betrokken militaire formaties bekend te maken en moeten die formaties inlichtingen verstrekken inzake de middelen ter identificatie die door de desbetreffende geneeskundige luchtvaartuigen zullen worden gebruikt.
Artikel 30 - Landen en inspectie van geneeskundige luchtvaartuigen
Geneeskundige luchtvaartuigen die vliegen boven gebieden die feitelijk worden beheerst door een Tegenpartij, of boven gebieden die niet duidelijk door een bepaalde Partij feitelijk worden beheerst, kunnen gesommeerd worden te landen naar gelang van de omstandigheden op het land of op het water, ten einde inspectie overeenkomstig de navolgende paragrafen mogelijk te maken. De geneeskundige luchtvaartuigen moeten iedere zodanige sommatie opvolgen.
Indien een dergelijk luchtvaartuig landt of op het water neerstrijkt, hetzij op sommatie of om andere redenen, mag het uitsluitend aan inspectie worden onderworpen ter vaststelling van de zaken, vermeld in de derde en vierde paragraaf. Iedere zodanige inspectie moet onverwijld worden aangevangen en snel worden uitgevoerd. De inspecterende Partij mag niet verlangen dat de gewonden en zieken uit het vliegtuig worden verwijderd, tenzij verwijdering noodzakelijk is voor de inspectie. Die Partij moet er in ieder geval voor zorg dragen dat de toestand van de gewonden en zieken niet nadelig door de inspectie of de verwijdering wordt beïnvloed.
Indien de inspectie aantoont dat het luchtvaartuig:een geneeskundig luchtvaartuig is in de zin van artikel 8 letter j),
geen inbreuk maakt op de voorwaarden, omschreven in artikel 28, en
indien een voorafgaand akkoord is vereist, niet heeft gevlogen zonder, of in strijd met dit akkoord,
moet aan het luchtvaartuig en aan de inzittenden die behoren tot de Tegenpartij of tot een neutrale Staat of een andere Staat die geen Partij is bij het conflict, worden toegestaan de vlucht zonder oponthoud voort te zetten.
Indien de inspectie aantoont dat het luchtvaartuig:geen geneeskundig luchtvaartuig is in de zin van artikel 8 letter j),
inbreuk maakt op de voorwaarden omschreven in artikel 28, of,
indien een voorafgaand akkoord is vereist, heeft gevlogen zonder of in strijd met dit akkoord,
kan dit luchtvaartuig in beslag worden genomen. De inzittenden dienen te worden behandeld overeenkomstig de desbetreffende bepalingen van de Verdragen en dit Protocol. Ieder in beslag genomen luchtvaartuig dat was aangewezen als permanent geneeskundig luchtvaartuig mag daarna uitsluitend als geneeskundig luchtvaartuig worden gebruikt.

Artikel 31 - Neutrale Staten of andere Staten die geen Partij zijn bij het conflict
Geneeskundige luchtvaartuigen mogen, behalve krachtens een voorafgaand akkoord niet vliegen over het grondgebied van een neutrale Staat of een andere Staat die geen Partij is bij het conflict, noch erop landen of neerstrijken op het water ervan. Indien een dergelijk akkoord bestaat, dienen zij evenwel te worden ontzien gedurende hun gehele vlucht en eveneens gedurende een eventuele landing op dat grondgebied. Niettemin moeten zij iedere sommatie tot landen of neerstrijken op het water, naar gelang van de omstandigheden, opvolgen.
Indien een geneeskundig luchtvaartuig, bij afwezigheid van akkoord of in afwijking van de voorwaarden waaronder het akkoord is tot stand gekomen, vliegt over het grondgebied van een neutrale Staat of een andere Staat die geen Partij is bij het conflict, hetzij door een navigatiefout of ten gevolge van een noodtoestand die de veiligheid van de vlucht in gevaar brengt, dient het alles in het werk te stellen om de vlucht te melden en zich te identificeren. Zodra een zodanig geneeskundig luchtvaartuig is herkend, dient die Staat in redelijkheid alles in het werk te stellen om de sommatie tot landen op het land of tot neerstrijken op het water, als bedoeld in artikel 30, eerste paragraaf, te geven, of om andere maatregelen ter beveiliging van zijn eigen belangen te nemen, en in beide gevallen het luchtvaartuig tijd te geven om aan deze sommatie te voldoen of zich naar die maatregelen te gedragen, alvorens tot een aanval tegen het luchtvaartuig over te gaan.
Indien een geneeskundig luchtvaartuig, hetzij krachtens akkoord of in de omstandigheden, vermeld in de tweede paragraaf, landt of neerstrijkt op het water behorend tot het grondgebied van een neutrale Staat of een andere Staat die geen Partij is bij het conflict, hetzij op sommatie of om andere redenen, wordt het luchtvaartuig aan inspectie onderworpen teneinde vast te stellen of het werkelijk een geneeskundig luchtvaartuig is. De inspectie moet onverwijld worden aangevangen en snel worden uitgevoerd. De inspecterende Partij mag niet verlangen dat de gewonden en zieken van de Partij die het luchtvaartuig gebruikt daaruit worden verwijderd, tenzij verwijdering noodzakelijk is voor de inspectie. De inspecterende Partij moet er in ieder geval voor zorg dragen dat de toestand van de gewonden en zieken niet nadelig door de inspectie of de verwijdering wordt beïnvloed. Indien de inspectie aantoont dat het luchtvaartuig werkelijk een geneeskundig luchtvaartuig is, wordt het luchtvaartuig met inzittenden, met uitzondering van degenen die overeenkomstig de regels van het bij gewapende conflicten toepasselijk internationaal recht gevangen dienen te worden gehouden, toegestaan de vlucht te hervatten, en dienen passende maatregelen ten behoeve van de voortzetting van de vlucht te worden genomen. Indien de inspectie aantoont dat het luchtvaartuig geen geneeskundig luchtvaartuig is, wordt het in beslag genomen en worden de inzittenden behandeld overeenkomstig de vierde paragraaf.
De gewonden, zieken en schipbreukelingen die, anders dan tijdelijk met toestemming van de plaatselijke autoriteiten een geneeskundig luchtvaartuig hebben verlaten op het grondgebied van een neutrale Staat of een andere Staat die geen Partij is bij het conflict, worden, tenzij anders tussen die Staat en de Partijen bij het conflict is overeengekomen, door die Staat vastgehouden, indien dit door de regels van het bij gewapende conflicten toepasselijk internationaal recht wordt voorgeschreven, en wel op zodanige wijze dat zij niet opnieuw aan de vijandelijkheden kunnen deelnemen. De kosten van behandeling in een ziekenhuis en van internering dienen door de Staat waartoe die personen behoren, te worden gedragen.
De neutrale Staten en de andere Staten die geen Partij zijn bij het conflict moeten alle voorwaarden en beperkingen die zij opleggen aan de vlucht van geneeskundige luchtvaartuigen over, of aan de landing van geneeskundige luchtvaartuigen op hun grondgebied, gelijkelijk op alle Partijen bij het conflict toepassen.
Afdeling III - Vermisten en doden
Artikel 32 - Algemeen beginsel
Bij de uitvoering van deze Afdeling, zullen de werkzaamheden van de Hoge Verdragsluitende Partijen, de Partijen bij het conflict en de internationale humanitaire organisaties, vermeld in de Verdragen en dit Protocol, voornamelijk worden ingegeven door het recht van families kennis te nemen van het lot van verwanten.

Artikel 33 - Vermisten
Zodra de omstandigheden zulks toelaten, en uiterlijk onmiddellijk na het einde van de daadwerkelijke vijandelijkheden, dient iedere Partij bij het conflict naar de personen die door een Tegenpartij als vermist zijn opgegeven te zoeken. Die Partij dient alle ter zake dienende gegevens betreffende die personen door te geven teneinde het zoeken te vergemakkelijken.
Teneinde het verzamelen van gegevens ingevolge de vorige paragraaf te vergemakkelijken, dient iedere Partij met betrekking tot personen die niet krachtens de Verdragen en het Protocol gunstiger mochten worden behandeld:de gegevens te registreren omschreven in artikel 138 van het Vierde Verdrag, betreffende de personen die langer dan twee weken gevangen zijn gehouden, gevangenisstraf hebben ondergaan of op andere wijze van hun vrijheid zijn beroofd ten gevolge van vijandelijkheden of van een bezetting, of die tijdens hun gevangenhouding zijn overleden;
het zoeken naar en het registreren van gegevens omtrent die personen zoveel mogelijk te vergemakkelijken en zo nodig zelf te verrichten, indien deze in andere omstandigheden tengevolge van vijandelijkheden of van bezetting zijn overleden.
Gegevens betreffende personen die ingevolge de eerste paragraaf als vermist zijn opgegeven en de verzoeken om dergelijke gegevens dienen te worden doorgegeven, hetzij rechtstreeks of door tussenkomst van de beschermende Mogendheid, het Centrale Opsporingsbureau van het Internationale Comité van het Rode Kruis of nationale Rode Kruis (Rode Halve Maan, Rode Leeuw en Zon) verenigingen. Wanneer de gegevens niet via het Internationale Comité van het Rode Kruis en het Centrale Opsporingsbureau daarvan worden doorgegeven, dient iedere Partij bij het conflict er zorg voor te dragen, dat die gegevens tevens aan het Centrale Opsporingsbureau worden verstrekt.
De Partijen bij het conflict dienen ernaar te streven, tot overeenstemming te geraken over regelingen, waardoor het voor ploegen mogelijk wordt naar doden te zoeken, deze te identificeren en uit gebieden waar gevechten hebben plaatsgevonden weg te halen, met inbegrip van regelingen waardoor het, indien wenselijk, mogelijk wordt gemaakt dat die ploegen worden vergezeld door personeel van de Tegenpartij wanneer zij hun taak vervullen in gebieden die onder de controle staan van de Tegenpartij. Het personeel van die ploegen dient, wanneer het uitsluitend de genoemde functie vervult, te worden ontzien en beschermd.
Artikel 34 - Stoffelijke overschotten
Het stoffelijk overschot van personen die zijn overleden door oorzaken verband houdend met een bezetting, of die zijn overleden tijdens gevangenhouding voortkomend uit een bezetting of uit vijandelijkheden, alsook het stoffelijk overschot van personen die geen onderdaan zijn van het land waar zij zijn overleden tengevolge van vijandelijkheden, dienen te worden ontzien, en het graf van alle zodanige personen dient te worden ontzien, onderhouden en aangeduid, als bepaald in artikel 130 van het Vierde Verdrag, wanneer het stoffelijk overschot of graf geen gunstige behandeling krachtens de Verdragen en dit Protocol mocht ontvangen.
Zodra de omstandigheden en de betrekkingen tussen de Tegenpartijen dat toelaten, moeten de Hoge Verdragsluitende Partijen op wiens grondgebied graven zijn gelegen van personen die tengevolge van vijandelijkheden of tijdens een bezetting of gevangenhouding zijn overleden of, in voorkomende gevallen, andere plaatsen waar zich stoffelijke overschotten van zodanige personen bevinden, overeenkomsten sluiten teneinde:de toegang tot de graven te vergemakkelijken voor de familieleden van de overledenen en de vertegenwoordigers van de officiële diensten voor gravenregistratie en de regelingen van praktische aard voor die toegang vast te stellen;
bestendig de bescherming en het onderhoud van deze graven te verzekeren;
de terugkeer te vergemakkelijken van het stoffelijk overschot en de persoonlijke bezittingen van de overledenen naar het land van herkomst, op verzoek van dat land of op verzoek van de naaste familieleden tenzij het bedoelde land daartegen bezwaar maakt.
Indien geen overeenkomsten als voorzien in de tweede paragraaf letters b) of c) zijn gesloten en indien het land van herkomst van deze overledenen niet bereid is op zijn kosten voor het onderhoud van die graven zorg te dragen, kan de Hoge Verdragsluitende Partij op wiens grondgebied de graven zijn gelegen aanbieden, maatregelen te treffen ter vergemakkelijking van de terugkeer van de stoffelijke overschotten van de overledenen naar het land van herkomst. Indien een dergelijk aanbod niet wordt aanvaard, kan de Hoge Verdragsluitende Partij na verloop van vijf jaar, te rekenen vanaf de dag van het aanbod en na kennisgeving aan het land van herkomst, de voorschriften neergelegd in haar eigen wetgeving met betrekking tot begraafplaatsen en graven, toepassen.
Het is een Hoge Verdragsluitende Partij op wiens grondgebied de graven bedoeld in dit artikel zijn gelegen slechts toegestaan de stoffelijke overschotten op te graven:overeenkomstig de voorwaarden bepaald bij de paragrafen 2.c) en 3 of,
wanneer opgraving dwingend is geboden door het algemeen belang waaronder begrepen geneeskundige noodzaak en noodzaak verband houdend met een opsporing, in welk geval de Hoge Verdragsluitende Partij te allen tijde de stoffelijke overschotten dient te ontzien en het land van herkomst in kennis dient te stellen van haar voornemen de stoffelijke overschotten op te graven, waarbij zij bijzonderheden betreffende de voorgenomen plaats van herbegrafenis dient te vermelden.
 
Titel III - Methoden en middelen van oorlogvoering - status van strijder en van krijgsgevangene
Afdeling I - Methoden en middelen van oorlogvoering
Artikel 35 - Grondregels
In geen enkel gewapend conflict is het recht van de Partijen bij het conflict ten aanzien van de keuze van de methoden of middelen van oorlogvoering onbegrensd.
Het is verboden wapens, projectielen en stoffen alsmede methoden van oorlogvoering te gebruiken die naar hun aard overbodig letsel of onnodig leed veroorzaken.
Het is verboden methoden of middelen van oorlogvoering te gebruiken, bestemd om omvangrijke, langdurige en ernstige schade aan het natuurlijk milieu toe te brengen, of die dergelijke schade, naar kan worden verwacht, zullen meebrengen.
Artikel 36 - Nieuwe wapens
Op een Hoge Verdragsluitende Partij rust bij de studie, ontwikkeling, aanschaf of invoering van een nieuw wapen, een nieuw middel of een nieuwe methode van oorlogvoering de verplichting vast te stellen of het gebruik daarvan, in bepaalde of in alle omstandigheden, door dit Protocol of door enige andere regel van het ten aanzien van de Hoge Verdragsluitende Partij toepasselijk internationaal recht is verboden.

Artikel 37 - Verbod van perfide handelingen
Het is verboden een tegenstander te doden, te verwonden of gevangen te nemen door middel van perfide handelingen. Gedragingen die het vertrouwen wekken bij een tegenstander teneinde deze te doen geloven dat hij gerechtigd is op bescherming krachtens de regels van het internationale recht toepasselijk ingeval van gewapende conflicten of dat hij verplicht is zodanige bescherming te verlenen met de bedoeling dat vertrouwen te misbruiken, zijn perfide handelingen. Voorbeelden van perfide handelingen zijn:het voorwenden van het voornemen tot onderhandelen onder de parlementaire vlag of het voorwenden van overgave;
het voorwenden uitgeschakeld te zijn door verwondingen of ziekte;
het voorwenden van het bezit van status van burger of niet-strijder;
het voorwenden van het bezit van een beschermde positie door het gebruik van tekens, kentekens of uniformen van de Verenigde Naties, van neutrale Staten of van andere Staten die geen Partij zijn bij het conflict.
Krijgslisten zijn niet verboden. Dergelijke listen zijn gedragingen die zijn bedoeld om een tegenstander te misleiden of hem er toe te bewegen roekeloos te handelen, maar die geen regels van het internationale recht toepasselijk in geval van gewapend conflict schenden en die niet verraderlijk zijn doordat niet wordt getracht het vertrouwen van een tegenstander te wekken met betrekking tot bescherming krachtens dat recht. Voorbeelden van krijgslisten zijn: het gebruik van camouflage, lokmiddelen, schijnoperaties en onjuiste inlichtingen.
Artikel 38 - Erkende kentekens
Het is verboden onrechtmatig gebruik te maken van het kenteken van het Rode Kruis, de Rode Halve Maan of de Rode Leeuw en Zon, of van andere kentekens, tekens of seinen, als voorzien in de Verdragen of dit Protocol. Het is eveneens verboden in een gewapend conflict opzettelijk misbruik te maken van andere internationaal erkende beschermende kentekens, tekens, of seinen, daaronder begrepen de parlementaire vlag en het beschermend kenteken van culturele goederen.
Het is verboden gebruik te maken van het kenteken van de Verenigde Naties, behalve wanneer het gebruik door die Organisatie is toegestaan.
Artikel 39 - Nationaliteitskenteken
Het is verboden in een gewapend conflict gebruik te maken van de vlaggen of militaire kentekens, onderscheidingstekens of uniformen van neutrale Staten of andere Staten die geen Partij zijn bij het conflict.
Het is verboden gebruik te maken van de vlaggen of militaire kentekens, onderscheidingstekens of uniformen van de Tegenpartijen tijdens aanvallen of met het oogmerk militaire operaties te dekken, te begunstigen, te beschermen of te belemmeren.
Geen enkele bepaling van dit artikel of van artikel 37, eerste paragraaf, d) vormt een aantasting van de bestaande, algemeen erkende regels van het internationaal recht, toepasselijk in geval van spionage of het gebruik van vlaggen tijdens gewapende conflicten op zee.
Artikel 40 - Kwartier
Het is verboden het bevel te geven dat niemand mag overleven, een tegenstander daarmede te dreigen of op die grondslag de vijandelijkheden te voeren.

Artikel 41 - Bescherming van een vijand buiten gevecht
Een persoon die naar wordt onderkend, of in de gegeven omstandigheden zou moeten worden onderkend, buiten gevecht verkeert, mag niet het voorwerp van een aanval worden.
Een persoon verkeert buiten gevecht indien:hij zich in de macht van een Tegenpartij bevindt,
hij duidelijk het voornemen te kennen geeft zich over te geven, of
hij het bewustzijn heeft verloren of op andere wijze door verwondingen of ziekte is uitgeschakeld, en daarom niet in staat is zich te verdedigen, mits hij zich in alle genoemde gevallen onthoudt van iedere vijandelijke handeling en niet tracht te ontvluchten.
Wanneer personen die aanspraak kunnen maken op bescherming als krijgsgevangene, in handen van een Tegenpartij zijn gevallen onder ongebruikelijke gevechtsomstandigheden die hun evacuatie, als geregeld bij Titel III, Afdeling I, van het Derde Verdrag verhinderen, dienen zij te worden vrijgelaten en dienen alle voorzorgen die praktisch uitvoerbaar zijn te worden getroffen om hun veiligheid te waarborgen.
Artikel 42 - Inzittenden van luchtvaartuigen
Niemand die met een parachute uit een vliegtuig in nood springt, mag gedurende zijn neerdaling het voorwerp van een aanval worden gemaakt.
Aan een persoon die met een parachute uit een vliegtuig in nood is gesprongen dient, zodra hij bij zijn landing terechtkomt op gebied dat onder controle is van een Tegenpartij de gelegenheid te worden geboden zich over te geven, voordat hij het voorwerp van een aanval wordt, tenzij het duidelijk is dat hij een vijandelijke handeling verricht.
Luchtlandingstroepen worden niet door dit artikel beschermd.
Afdeling II - De status van strijder en van krijgsgevangene

Artikel 43 - De strijdkrachten
De strijdkrachten van een Partij bij het conflict bestaan uit alle georganiseerde strijdkrachten, groepen en eenheden die onder een bevel staan dat tegenover die Partij verantwoordelijk is voor het gedrag van zijn ondergeschikten, zelfs indien die Partij wordt vertegenwoordigd door een niet door een Tegenpartij erkende regering of autoriteit. Deze strijdkrachten dienen te zijn onderworpen aan een intern krijgstuchtelijk systeem, dat onder andere de nakoming van de regels van het internationaal recht, toepasselijk in geval van gewapende conflicten, dient te verzekeren.
De leden van de strijdkrachten van een Partij bij het conflict, andere dan het geneeskundig of geestelijk personeel op wie artikel 33 van het Derde Verdrag betrekking heeft, zijn strijders en hebben derhalve het recht om rechtstreeks aan de vijandelijkheden deel te nemen.
Wanneer een Partij bij het conflict een paramilitaire organisatie of een gewapende dienst belast met politietaken, in zijn strijdkrachten opneemt, moet zij de andere Partijen bij het conflict daarvan in kennis stellen.
Artikel 44 - Strijders en krijgsgevangenen
Iedere strijder, als omschreven in artikel 43 die in handen van een Tegenpartij valt wordt als krijgsgevangene beschouwd.
Hoewel alle strijders gehouden zijn de regels van het internationaal recht toepasselijk in geval van gewapende conflicten, te eerbiedigen, zullen de schendingen van deze regels een strijder het recht niet ontnemen te worden beschouwd als strijder, of, indien hij in handen van een Tegenpartij valt, te worden beschouwd als krijgsgevangene, behalve in de gevallen voorzien door paragrafen 3 en 4.
Ter bevordering van een bescherming van de burgerbevolking tegen de gevolgen van de vijandelijkheden zijn de strijders verplicht zich van de burgerbevolking te onderscheiden wanneer zij een aanval of een militaire operatie ter voorbereiding van een aanval uitvoeren. Gelet evenwel op het feit dat er zich in een gewapend conflict situaties voordoen waarin het een gewapende strijder door de aard van de vijandelijkheden niet mogelijk is zich van de burgerbevolking te onderscheiden, behoudt deze zijn status van strijder mits hij in zulke situaties zijn wapens openlijk draagt:gedurende ieder militair treffen, en
gedurende de tijd dat hij zichtbaar is voor de Tegenpartij terwijl hij deelneemt aan een militaire ontplooiing die voorafgaat aan het inzetten van een aanval waaraan hij moet deelnemen. Handelingen die voldoen aan de in deze paragraaf neergelegde vereisten worden niet als perfide handelingen in de zin van artikel 37, eerste paragraaf, letter c) beschouwd.
Een strijder die in handen van een Tegenpartij valt terwijl hij niet aan de vereisten vervat in de tweede zin van de derde paragraaf voldoet, verliest het recht om als krijgsgevangene te worden beschouwd, maar hem dient niettemin bescherming te worden verleend die in alle opzichten gelijkwaardig is aan die welke het Derde Verdrag en dit Protocol aan krijgsgevangenen toekennen. Deze bescherming omvat mede bescherming die gelijkwaardig moet zijn aan die welke het Derde Verdrag aan krijgsgevangenen toekent ingeval een zodanige persoon wordt berecht en gestraft voor enig strafbaar feit dat hij heeft begaan.
Geen enkele strijder die in handen van een Tegenpartij valt, zonder dat hij op dat moment deelneemt aan een aanval of militaire operatie ter voorbereiding van een aanval, verliest uit hoofde van zijn voorafgaande activiteiten het recht als strijder en als krijgsgevangene te worden beschouwd.
Dit artikel laat onverlet het recht van enige persoon om krachtens artikel 4 van het Derde Verdrag als krijgsgevangene te worden beschouwd.
Dit artikel heeft niet tot doel verandering te brengen in de algemeen aanvaarde statenpraktijk met betrekking tot het dragen van het uniform door de strijders die behoren tot de geregelde geüniformeerde gewapende eenheden van een Partij bij het conflict.
Naast de categorieën personen, vermeld in de artikelen 13 van het Eerste en het Tweede Verdrag, kunnen alle leden van de strijdkrachten van een Partij bij het conflict, als omschreven in artikel 43 van dit Protocol, aanspraak maken op bescherming krachtens die Verdragen, indien zij gewond of ziek zijn, of, in het geval van het Tweede Verdrag, op zee of in andere wateren schipbreuk hebben geleden.
Artikel 45 - Bescherming van de personen die aan de vijandelijkheden hebben deelgenomen
Een persoon die aan vijandelijkheden deelneemt en in handen van een Tegenpartij valt, wordt geacht krijgsgevangen te zijn en dient derhalve door het Derde Verdrag te worden beschermd, indien hij de status van krijgsgevangene inroept of indien blijkt dat hij aanspraak op een zodanige status heeft of indien de Partij waartoe hij behoort een zodanige status te zijnen gunste inroept door middel van een kennisgeving aan de gevangenhoudende of aan de beschermende Mogendheid. Indien er enige twijfel mocht rijzen over de vraag of een zodanige persoon aanspraak op de status van krijgsgevangene heeft, dient hij die status te behouden en derhalve door het Derde Verdrag en dit Protocol te worden beschermd, totdat zijn status door een bevoegde rechterlijke instantie is vastgesteld.
Indien een persoon die in handen van een Tegenpartij is gevallen, niet als krijgsgevangene wordt vastgehouden, en door die Partij zal worden berecht wegens een strafbaar feit, verband houdende met de vijandelijkheden, dient hij het recht te hebben om zijn aanspraak op de status van krijgsgevangene voor een rechterlijke instantie geldend te maken en een uitspraak betreffende die kwestie te verkrijgen. Steeds wanneer dat krachtens de toepasselijke procesregels mogelijk is, dient die uitspraak te worden gedaan voorafgaand aan het proces met betrekking tot het strafbaar feit. De vertegenwoordigers van de beschermende Mogendheid hebben het recht het proces waarin betreffende de bovenbedoelde kwestie uitspraak wordt gedaan bij te wonen, behalve in uitzonderlijke gevallen waarin het proces in het belang van de veiligheid van de Staat achter gesloten deuren wordt gevoerd. In een dergelijk geval moet de gevangenhoudende Mogendheid de beschermende Mogendheid daarvan in kennis stellen.
Ieder die heeft deelgenomen aan vijandelijkheden die geen aanspraak heeft op de status van krijgsgevangene en die geen gunstiger behandeling krachtens het Vierde Verdrag geniet, dient te allen tijde het recht te hebben op de bescherming, verleend door artikel 75 van dit Protocol. In bezet gebied heeft iedere zodanige persoon, niettegenstaande het bepaalde in artikel 5 van het Vierde Verdrag, eveneens aanspraak op het recht van communicatie krachtens dat Verdrag, behalve wanneer hij als spion wordt vastgehouden.
Artikel 46 - Spionnen
Niettegenstaande enige andere bepaling van de Verdragen of dit Protocol heeft een lid van de strijdkrachten van een Partij bij het conflict die in handen van een Tegenpartij valt terwijl hij spionage bedrijft, geen recht op de status van krijgsgevangene en kan als spion worden behandeld.
Een lid van de strijdkrachten van een Partij bij het conflict die ten behoeve van die Partij en op gebied dat onder controle is van een Tegenpartij, inlichtingen verzamelt of tracht te verzamelen, wordt niet geacht spionage te bedrijven indien hij, terwijl hij zodanige handelingen verricht, het uniform draagt van de strijdkrachten waartoe hij behoort.
Een lid van de strijdkrachten van een Partij bij het conflict, die inwoner is van een door een Tegenpartij bezet gebied en die, ten behoeve van de Partij waartoe hij behoort inlichtingen van militair belang binnen dat grondgebied verzamelt of tracht te verzamelen, wordt niet geacht spionage te bedrijven, tenzij hij zulks onder valse voorwendsels of opzettelijk op heimelijke wijze doet. Bovendien verliest zo'n inwoner zijn recht op de status van krijgsgevangene niet en mag niet als spion worden behandeld, tenzij hij wordt gevat terwijl hij spionage bedrijft.
Een lid van de strijdkrachten van een Partij bij het conflict, die een inwoner is van door een Tegenpartij bezet gebied en die op dat gebied spionage heeft bedreven, verliest zijn recht op de status van krijgsgevangene niet en mag niet worden behandeld als spion, tenzij hij wordt gevat voordat hij zich weer bij de strijdkrachten waartoe hij behoort heeft gevoegd.
Artikel 47 - Huurlingen
Een huurling heeft niet het recht op de status van strijder of van krijgsgevangene.
Een huurling is iedere persoon:die plaatselijk of in het buitenland speciaal is aangeworven om te vechten in een gewapend conflict;
die daadwerkelijk en rechtstreeks deelneemt aan de vijandelijkheden;
die voornamelijk door het verlangen naar persoonlijk voordeel wordt gedreven aan de vijandelijkheden deel te nemen en aan wie daadwerkelijk door of vanwege een Partij bij het conflict een materiële vergoeding is beloofd die de aan strijders van gelijke rang en functie van de strijdkrachten van die Partij beloofde of betaalde vergoeding aanzienlijk te boven gaat;
die geen onderdaan is van een Partij bij het conflict, noch inwoner van een gebied dat onder controle is van een Partij bij het conflict;
die geen lid is van de strijdkrachten van een Partij bij het conflict, en;
die niet door een Staat die geen Partij is bij het conflict met een officiële opdracht, als lid van de strijdkrachten van die Staat, is uitgezonden.
 
Titel IV - Burgerbevolking
Afdeling I - Algemene bescherming tegen de gevolgen van de vijandelijkheden
Hoofdstuk I - Grondregel en toepassingsveld
Artikel 48 - Grondregel
Ten einde te verzekeren dat de burgerbevolking en de goederen van burgerlijke aard worden ontzien en beschermd, dienen de Partijen bij het conflict te allen tijde het onderscheid te maken tussen de burgerbevolking en de strijders en tussen de goederen van burgerlijke aard en de militaire objectieven en dienen zij derhalve hun operaties uitsluitend tegen militaire objectieven te richten.

Artikel 49 - Definitie van aanvallen en toepassingsveld
'Aanvallen' betekent: daden van geweld gericht tegen de tegenstander, hetzij offensieve, hetzij defensieve.
De bepalingen van dit Protocol met betrekking tot aanvallen zijn van toepassing op alle aanvallen, op welk grondgebied ook uitgevoerd, met inbegrip van het nationaal grondgebied dat aan een Partij bij het conflict toebehoort maar door de Tegenpartij onder controle wordt gehouden.
De bepalingen van deze afdeling zijn van toepassing op alle krijgsverrichtingen te land, in de lucht of ter zee, die de burgerbevolking, de individuele burgers of goederen van burgerlijke aard te land kunnen treffen. Ze zijn voorts van toepassing op alle aanvallen vanuit de zee of de lucht op objectieven op het land, maar laten overigens de regels van het internationaal recht van toepassing bij gewapende conflicten ter zee of in de lucht, onverlet.
De bepalingen van deze afdeling vormen een aanvulling op de regels betreffende de humanitaire bescherming, neergelegd in het Vierde Verdrag, in het bijzonder Titel II daarvan en in andere voor de Hoge Verdragsluitende Partijen bindende internationale overeenkomsten, evenals op andere regels van het internationaal recht betreffende de bescherming van burgers en goederen van burgerlijke aard te land, ter zee of in de lucht tegen de gevolgen van vijandelijkheden.
Hoofdstuk II - Burgers en burgerbevolking
Artikel 50 - Definitie van burgers en burgerbevolking
Burger is ieder die niet behoort tot één van de categorieën personen, bedoeld in artikel 4, letter A, 1, 2, 3 en 6 van het Derde Verdrag en in artikel 43 van dit Protocol. Bij twijfel of iemand burger is, wordt hij als burger beschouwd.
De burgerbevolking omvat alle personen die burger zijn.
De aanwezigheid onder de burgerbevolking van enkelingen die niet onder de definitie van burger vallen, ontneemt haar de civiele hoedanigheid niet.
Artikel 51 - Bescherming van de burgerbevolking
De burgerbevolking en de burgers genieten algemene bescherming tegen uit militaire operaties voortvloeiende gevaren. Om deze bescherming te verwezenlijken dienen de volgende regels, die een aanvulling vormen op de andere van toepassing zijnde regels van het internationaal recht, onder alle omstandigheden in acht te worden genomen.
Noch de burgerbevolking als zodanig, noch de burgers mogen het voorwerp van een aanval vormen. Daden van geweld of bedreiging met geweld, waarvan het belangrijkste oogmerk is de burgerbevolking angst aan te jagen, zijn verboden.
De burgers genieten de in deze afdeling verleende bescherming, behalve indien en zolang zij rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen.
Niet-onderscheidende aanvallen zijn verboden. Niet-onderscheidende aanvallen zijn:aanvallen die niet op een bepaald militair objectief zijn gericht;
aanvallen waarbij gebruik wordt gemaakt van strijdmiddelen of –methoden die niet op een bepaald militair objectief kunnen worden gericht; of
aanvallen waarbij gebruik wordt gemaakt van strijdmiddelen of –methoden waarvan de gevolgen niet kunnen worden beperkt zoals dit Protocol vereist; en die derhalve in alle genoemde gevallen van aard zijn om zonder onderscheid militaire objectieven en burgers of goederen van burgerlijke aard te treffen.
De volgende soorten aanvallen dienen onder andere als niet-onderscheidend te worden beschouwd:aanvallen door middel van een bombardement, met welke middelen of methoden dan ook, waarbij een aantal duidelijk gescheiden en als zodanig te onderscheiden militaire objectieven, gelegen in een stad, dorp of elke andere streek waarin zich een vergelijkbare concentratie burgers of goederen van burgerlijke aard bevindt, worden aangemerkt als één enkel militair objectief;
aanvallen die, naar kan worden verwacht bijkomend verlies van mensenlevens onder de burgerbevolking, verwonding van burgers, schade aan goederen van burgerlijke aard of een combinatie daarvan ten gevolge zullen hebben, in een mate die buitensporig zou zijn in verhouding tot het verwachte tastbare en rechtstreekse militaire voordeel.
Aanvallen op de burgerbevolking of burgers bij wijze van represaille zijn verboden.
De aanwezigheid of de bewegingen van de burgerbevolking of van burgers mogen niet worden gebruikt om bepaalde plaatsen of gebieden te vrijwaren voor militaire operaties, in het bijzonder niet wanneer daarbij wordt getracht militaire objectieven tegen aanvallen af te schermen of militaire operaties te dekken, te begunstigen of te belemmeren. De Partijen bij het conflict mogen de bewegingen van de burgerbevolking of de burgers niet in een bepaalde richting leiden ten einde te trachten militaire objectieven tegen aanvallen af te schermen of militaire operaties te dekken.
Geen enkele overtreding van deze verboden ontslaat de Partijen bij het conflict van hun juridische verplichtingen met betrekking tot de burgerbevolking en de burgers, daaronder begrepen de verplichting om de in artikel 57 voorziene voorzorgsmaatregelen te treffen.
Hoofdstuk III - Goederen van burgerlijke aard
Artikel 52 - Algemene bescherming van de goederen van burgerlijke aard
Goederen van burgerlijke aard mogen niet het voorwerp van een aanval worden en tegen die goederen mogen geen represailles worden genomen. Goederen van burgerlijke aard zijn alle goederen die geen militaire objectieven zijn, als omschreven in de tweede paragraaf.
Aanvallen dienen strikt tot militaire objectieven te worden beperkt. Voor zover het goederen betreft, zijn militaire objectieven beperkt tot die goederen die naar hun aard, ligging, bestemming of gebruik een daadwerkelijke bijdrage tot de krijgsverrichtingen leveren en waarvan de gehele of gedeeltelijke vernietiging, verovering of onbruikbaarmaking onder de omstandigheden van dat moment een duidelijk militair voordeel oplevert.
In geval van twijfel of een goed dat gewoonlijk dienst doet voor civiele doeleinden, zoals plaatsen van eredienst, een huis of een ander soort woning of een school, niet wordt gebruikt om een daadwerkelijke bijdrage te leveren aan de krijgsverrichtingen, dient ervan te worden uitgegaan dat het niet voor het laatstgenoemde doel wordt gebruikt.
Artikel 53 - Bescherming van culturele goederen en plaatsen van eredienst
Onverminderd de bepalingen van het Verdrag van Den Haag van 14 mei 1954 inzake de bescherming van culturele goederen in geval van een gewapend conflict en van andere op deze bescherming betrekking hebbende internationale akten is het verboden:

vijandelijke handelingen te verrichten, gericht tegen de historische monumenten, de kunstwerken of plaatsen van eredienst die het culturele of geestelijke erfgoed van de volkeren vormen;
dergelijke goederen te gebruiken ter ondersteuning van de militaire inspanning;
represailles tegen dergelijke goederen te nemen.
Artikel 54 - Bescherming van de voor het overleven van de burgerbevolking onmisbare goederen
Het uithongeren van burgers is als methode van oorlogvoering verboden.
De volgende daden zijn verboden: het aanvallen, vernietigen, weghalen of onbruikbaar maken van goederen, die voor het overleven van de burgerbevolking onmisbaar zijn, zoals voedingsmiddelen, landbouwgebieden waar voedingsmiddelen worden geproduceerd, oogsten, vee, drinkwaterinstallaties en –voorraden en bevloeiingswerken met het oogmerk om, wegens de waarde welke deze goederen voor het levensonderhoud hebben, de burgerbevolking of de Tegenpartij daarvan te beroven, ongeacht de beweegreden van een dergelijke daad is de burgers uit te hongeren, hen ertoe te bewegen weg te trekken, of welke andere beweegreden ook.
De verboden voorzien in de tweede paragraaf zijn niet van toepassing op de daarin bedoelde goederen die door een Tegenpartij worden gebruikt:uitsluitend voor het levensonderhoud van de leden van haar strijdkrachten, of
indien niet voor het levensonderhoud, dan toch als rechtstreekse ondersteuning van krijgsverrichtingen, mits evenwel in geen geval handelingen tegen die goederen worden ondernomen, waardoor naar kan worden verwacht voor de burgerbevolking zo weinig voedsel of water zou overblijven dat zij zou verhongeren of worden gedwongen weg te trekken.
Tegen deze goederen mogen geen represailles genomen worden.
Gelet op het levensbelang dat iedere Partij bij het conflict heeft bij de verdediging van haar grondgebied tegen invallen, mag zij binnen dat gebied, voor zover dat door haarzelf onder controle wordt gehouden, van de in de tweede paragraaf voorziene verboden afwijken, wanneer dat wegens dwingende militaire noodzaak is geboden.
Artikel 55 - Bescherming van het natuurlijk milieu
Bij de krijgsverrichtingen moet erover gewaakt worden, dat het natuurlijk milieu tegen omvangrijke, langdurige en ernstige schade wordt beschermd. Deze bescherming omvat mede het verbod van het gebruik van strijdmiddelen en –methoden die bestemd zijn om zodanige schade aan het natuurlijk milieu aan te brengen dat daardoor de gezondheid of de overleving van de burgerbevolking in gevaar wordt gebracht, of dat dergelijke schade naar kan worden verwacht, zal worden toegebracht.
Aanvallen gericht tegen het natuurlijk milieu bij wijze van represaille zijn verboden.
Artikel 56 - Bescherming van werken en installaties die gevaarlijke krachten bevatten
Werken of installaties die gevaarlijke krachten bevatten, te weten stuwdammen, dijken of kerncentrales, mogen geen voorwerp van een aanval zijn, zelfs niet wanneer zij militaire objectieven zijn indien die aanvallen het vrijkomen van gevaarlijke krachten zouden veroorzaken en daardoor zware verliezen aan mensenlevens onder de burgerbevolking zouden voor gevolg hebben. Andere militaire objectieven gelegen op of in de nabijheid van die werken of installaties, mogen geen voorwerp van aanval zijn indien die aanvallen het vrijkomen van gevaarlijke krachten uit die werken of installaties zouden veroorzaken en daardoor zware verliezen aan mensenlevens onder de burgerbevolking voor gevolg zouden hebben.
De in de eerste paragraaf voorziene bijzondere bescherming tegen aanvallen eindigt:wat stuwdammen of dijken betreft, alleen indien deze worden gebruikt voor andere dan hun gebruikelijke bestemming en voor geregelde, aanzienlijke en rechtstreekse ondersteuning van de militaire operaties, en indien die aanvallen het enige praktisch uitvoerbare middel vormen om die ondersteuning te beëindigen;
wat kerncentrales betreft, alleen indien deze elektrische energie leveren voor geregelde, aanzienlijke en rechtstreekse ondersteuning van de militaire operaties en indien die aanvallen het enige praktisch uitvoerbare middel vormen om die ondersteuning te beëindigen;
wat de andere militaire objectieven, gelegen op of in de nabijheid van die werken of installaties betreft, alleen indien deze worden gebruikt voor geregelde, aanzienlijke of rechtstreekse ondersteuning van de militaire operaties, en indien die aanvallen het enige praktisch uitvoerbare middel vormen om die ondersteuning te beëindigen.
In alle gevallen kan de burgerbevolking en kunnen de burgers blijvend aanspraak maken op de volledige bescherming, hun door het internationaal recht verleend met inbegrip van de bescherming voortvloeiend uit de in artikel 57 voorziene voorzorgsmaatregelen. Indien de bescherming eindigt en een van de in de eerste paragraaf vermelde werken, installaties of militaire objectieven wordt aangevallen, moeten alle praktisch uitvoerbare maatregelen worden genomen om het vrijkomen van de gevaarlijke krachten te verhinderen.
Het is verboden represailles te nemen tegen de in de eerste paragraaf vermelde werken, installaties of militaire doelen.
De Partijen bij het conflict moeten trachten te vermijden militaire objectieven in de nabijheid van de in de eerste paragraaf vermelde werken of installaties te plaatsen. Niettemin zijn installaties, gebouwd met het uitsluitend doel de beschermde werken of installaties tegen aanvallen te verdedigen, toegestaan en mogen deze zelf geen voorwerp van een aanval zijn, mits zij niet worden gebruikt bij de vijandelijkheden, behalve voor defensieve handelingen die noodzakelijk zijn om aanvallen op beschermde werken of installaties te beantwoorden en mits hun bewapening beperkt is tot wapens die slechts geschikt zijn om een vijandelijke actie tegen de beschermde werken of installaties af te weren.
Aan de Hoge Verdragsluitende Partijen en de Partijen bij het conflict wordt dringend verzocht onderling nadere overeenkomsten te sluiten om goederen die gevaarlijke krachten bevatten, aanvullende bescherming te verschaffen.
Ten einde herkenbaarheid van de door dit artikel beschermde goederen te bevorderen, kunnen de Partijen bij het conflict deze voorzien van een bijzonder kenteken, bestaande uit een groep van hel oranje op één as geplaatste cirkels, als aangegeven in artikel 16 van Bijlage I bij dit Protocol. De afwezigheid van een zodanige aanduiding ontheft geen enkele Partij bij het conflict in enig opzicht van haar verplichtingen krachtens dit artikel.
Hoofdstuk IV - Voorzorgsmaatregelen
Artikel 57 - Voorzorgen bij aanvallen
Bij het uitvoeren van militaire operaties moet er voortdurend over worden gewaakt dat de burgerbevolking, de burgers en de goederen van burgerlijke aard worden ontzien.
Met betrekking tot aanvallen dienen de volgende voorzorgen te worden genomen:zij die een aanval voorbereiden of tot een aanval besluiten, dienen:al het praktisch uitvoerbare te doen om zich er van te vergewissen, dat de aan te vallen objectieven geen burgers of goederen van burgerlijke aard zijn en geen bijzondere bescherming genieten, maar militaire objectieven vormen in de zin van artikel 52, paragraaf 2 en dat de bepalingen van dit Protocol niet verbieden deze aan te vallen;
alle praktisch uitvoerbare voorzorgen te nemen bij de keuze van de middelen en methoden van aanval, ten einde bijkomend verlies aan mensenlevens onder de burgerbevolking, verwonding van burgers of schade aan goederen van burgerlijke aard te voorkomen en deze in elk geval tot het uiterste te beperken;
af te zien van enige aanval die naar kan worden verwacht mede bijkomend verlies van mensenlevens onder de burgerbevolking, verwonding van burgers, schade aan goederen van burgerlijke aard of de combinatie daarvan zal veroorzaken in een mate welke buitensporig zou zijn in verhouding tot het te verwachten tastbare en rechtstreekse militaire voordeel;
een aanval dient te worden afgelast of opgeschort, wanneer blijkt dat het objectief geen militair objectief is of een bijzondere bescherming geniet, of wanneer blijkt dat de aanval naar kan worden verwacht, mede bijkomend verlies van mensenlevens onder de burgerbevolking, verwonding van burgers of schade aan goederen van burgerlijke aard of een combinatie daarvan zou veroorzaken in een mate welke buitensporig zou zijn in verhouding tot het te verwachten tastbare en rechtstreekse militaire voordeel;
c) omtrent aanvallen die ook de burgerbevolking zouden kunnen treffen, dient op effectieve wijze vooraf een waarschuwing te worden gegeven, tenzij de omstandigheden dat niet toelaten.
Wanneer een keuze mogelijk is tussen verschillende militaire objectieven om een gelijkwaardig militair voordeel te behalen, dient dat objectief te worden uitgekozen, waarop de aanval, naar kan worden verwacht, het minste gevaar oplevert voor de levens van de burgerbevolking en de goederen van burgerlijke aard.
Bij het uitvoeren van militaire operaties ter zee of in de lucht dient elke Partij bij het conflict alle redelijke voorzorgen te nemen om verlies van mensenlevens onder de burgerbevolking en schade aan goederen van burgerlijke aard te voorkomen, in overeenstemming met de rechten en de plichten krachtens de regels van het internationaal recht, toepasselijk in gewapende conflicten.
Geen enkele bepaling van dit artikel mag worden uitgelegd als machtiging tot enige aanval op de burgerbevolking, de burgers of de goederen van burgerlijke aard.
Artikel 58 - Voorzorgen tegen de gevolgen van aanvallen
De Partijen bij het conflict dienen voor zover dat ook maar enigszins praktisch uitvoerbaar is:

onverminderd het bepaalde in artikel 49 van het Vierde Verdrag, te trachten de burgerbevolking, de burgers en de goederen van burgerlijke aard onder hun gezag uit de nabijheid van militaire objectieven te verwijderen;
te vermijden militaire objectieven in of nabij dichtbevolkte gebieden te plaatsen;
alle andere noodzakelijke voorzorgen te nemen om de burgerbevolking, de burgers en de goederen van burgerlijke aard onder hun gezag tegen de uit militaire operaties voortvloeiende gevaren te beschermen.
Hoofdstuk V - Plaatsen en zones onder speciale bescherming
Artikel 59 - Onverdedigde plaatsen
Het is de Partijen bij het conflict verboden met welke middelen ook, onverdedigde plaatsen aan te vallen.
De ter zake bevoegde autoriteiten van een Partij bij het conflict kunnen iedere bewoonde plaats gelegen in de nabijheid van of in een zone, waar de strijdkrachten in contact zijn en welke gemakkelijk door de Tegenpartij kan worden bezet, tot onverdedigde plaats te verklaren. Een zodanige plaats dient aan de volgende voorwaarden te voldoen:alle strijders, evenals de mobiele wapens en de mobiele militaire uitrusting moeten verwijder zijn;
vaste militaire installaties mogen niet voor vijandelijke doeleinden worden gebruikt;
de autoriteiten en de bevolking mogen geen vijandelijke daden verrichten; en
er mogen geen activiteiten ter ondersteuning van de militaire operaties worden ondernomen.
De aanwezigheid op die plaats van personen die bijzondere bescherming genieten krachtens de Verdragen en dit Protocol en van politie die de opdracht heeft gekregen om daar te blijven uitsluitend om de orde te handhaven, is niet in strijd met de in de tweede paragraaf vervatte voorwaarden.
De verklaring gedaan krachtens de tweede paragraaf dient te worden gericht tot de Tegenpartij en dient zo precies mogelijk de grenzen van de onverdedigde plaats vast te stellen en te beschrijven. De Partij bij het conflict, tot welke de verklaring gericht is, dient de ontvangst ervan te bevestigen en de plaats als onverdedigde plaats te beschouwen tenzij in feite niet voldaan is aan de in de tweede paragraaf vervatte voorwaarden. In dit geval zal zij de Partij die de verklaring heeft afgelegd, daarvan onverwijld in kennis stellen. Ook indien niet voldaan is aan de in de tweede paragraaf vervatte voorwaarden, blijft de plaats de bescherming genieten die wordt verleend door de andere bepalingen van dit Protocol en de andere regels van het internationaal recht toepasselijk in gewapende conflicten.
De Partijen bij het conflict kunnen onderling overeenkomsten afsluiten betreffende het in het leven roepen van onverdedigde plaatsen, ook indien dergelijke plaatsen niet voldoen aan de in de tweede paragraaf vervatte voorwaarden. De overeenkomst dient zo precies mogelijk de grenzen van de onverdedigde plaats te om- en te beschrijven; zo nodig kan zij de bepalingen omtrent de wijze van toezicht inhouden.
De partij die een plaats beheerst, die het voorwerp van een zodanige overeenkomst vormt, dient haar zoveel mogelijk van met de andere Partij overeengekomen kentekens te voorzien; deze kentekens dienen zodanig te worden geplaatst dat zij duidelijk zichtbaar zijn, in het bijzonder bij de omtrek en de grenzen van de plaats en aan de hoofdwegen.
Een plaats verliest haar status van onverdedigde plaats, wanneer zij niet meer voldoet aan de voorwaarden die zijn neergelegd in de tweede paragraaf of in de overeenkomst bedoeld in de vijfde paragraaf. In dergelijk geval blijft de plaats de bescherming genieten die wordt verleend door de andere bepalingen van dit Protocol en de andere regels van het internationaal recht, toepasselijk in gewapende conflicten.
Artikel 60 - Gedemilitariseerde zones
Het is de Partijen bij het conflict verboden hun militaire operaties uit te strekken tot de zones waaraan zij bij overeenkomst de status van gedemilitariseerde zone hebben toegekend, indien die uitbreiding in strijd is met de bepalingen van een zodanige overeenkomst.
De overeenkomst dient uitdrukkelijk te worden aangegaan; zij kan mondeling of schriftelijk worden gesloten, hetzij rechtstreeks of door tussenkomst van een beschermende Mogendheid of een onpartijdige humanitaire organisatie, en kan bestaan uit wederkerige en overeenstemmende verklaringen. De overeenkomst kan zowel in vredestijd als na het uitbreken van de vijandelijkheden worden gesloten en dient zo precies mogelijk de grenzen van de gedemilitariseerde zone vast te stellen en te beschrijven, en – zo nodig – bepalingen omtrent het toezicht in te houden.
Het voorwerp van een zodanige overeenkomst kan in de regel iedere zone zijn die aan de volgende voorwaarden voldoet:alle strijders, evenals de mobiele wapens en de mobiele militaire uitrusting moeten verwijderd zijn;
vaste militaire installaties of inrichtingen mogen niet voor vijandelijke doeleinden worden gebruikt;
de autoriteiten of de bevolking mogen geen vijandelijke daden verrichten;
de activiteiten, verband houdende met de militaire inspanningen, moeten geëindigd zijn.

De Partijen bij het conflict dienen af te spreken welke interpretatie moet gegeven worden aan de voorwaarden vervat onder letter d), en over de toelating tot de gedemilitariseerde zone van andere personen dan in de vierde paragraaf genoemde personen.
De aanwezigheid in deze zone van personen die een bijzondere bescherming genieten krachtens de Verdragen en dit Protocol, en van de politie die daar verblijft met het uitsluitende doel de orde te handhaven, is niet in strijd met de in de derde paragraaf vermelde voorwaarden.
De Partij die zulk een zone beheerst, dient haar zoveel mogelijk van met de andere Partij overeengekomen kentekens te voorzien; deze kentekens dienen zodanig te worden geplaatst dat zij duidelijk zichtbaar zijn, in het bijzonder bij de omtrek en de grenzen en aan de hoofdwegen.
Wanneer het strijdtoneel zich in de richting van een gedemilitariseerde zone verplaatst en de Partijen bij het conflict ter zake overeenstemming hebben bereikt, mag geen van hen de zone gebruiken voor doeleinden die in verband staan met de militaire operaties, of de status ervan eenzijdig herroepen.
Indien één van de Partijen bij het conflict een wezenlijke inbreuk maakt op de inhoud van de bepalingen van de derde of de zesde paragraaf, is de andere Partij ontslagen van haar verplichtingen krachtens de overeenkomst, waarbij aan de zone het statuut van gedemilitariseerde zone wordt toegekend. In een dergelijk geval verliest de zone haar status, maar blijft zij bescherming genieten die wordt verleend door de andere bepalingen van dit Protocol en de andere regels van het internationaal recht, toepasselijk in gewapende conflicten.
Hoofdstuk VI - Civiele bescherming
Artikel 61 - Definities en toepassingsveld
Voor de toepassing van dit Protocol:

betekent 'civiele bescherming' de vervulling van alle of sommige van de hieronder genoemde humanitaire taken, die ten doel hebben de burgerbevolking tegen de gevaren van de vijandelijkheden of van rampen te beschermen en haar te helpen zich van de onmiddellijke gevolgen daarvan te herstellen, alsmede ervoor te zorgen dat de voor haar voortbestaan noodzakelijke omstandigheden aanwezig zijn. Deze taken zijn:alarmdienst;
evacuatie van de bevolking;
ter beschikkingstelling en beheer van schuilplaatsen;
organisatie van verduisteringsmaatregelen;
redding;
geneeskundige diensten, met inbegrip van eerste hulp en geestelijke bijstand;
brandbestrijding;
opsporing en signalisatie van gevarenzones;
ontsmetting en soortgelijke beschermingsmaatregelen;
het verschaffen van noodhuisvesting en –bevoorrading;
bijstand in geval van nood bij het herstel en de handhaving van de orde in getroffen gebieden;
dringend herstel van de onmisbare diensten van openbaar nut;
dringende lijkbezorging;
bijstand bij het behoud van de goederen die essentieel zijn voor het overleven;
aanvullende activiteiten die noodzakelijk zijn om een van de bovenvermelde taken te vervullen, met inbegrip van planning en organisatie zonder zich daartoe te beperken.
betekent 'instellingen voor de civiele bescherming' de inrichtingen en andere formaties die zijn georganiseerd of toegelaten door de bevoegde autoriteiten van een Partij bij het conflict om een van de onder letter a) genoemde taken te vervullen, en die uitsluitend voor dergelijke taken zijn bestemd en daartoe worden gebruikt;
betekent 'personeel' van de instellingen voor de civiele bescherming: de personen die door een Partij bij het conflict zijn aangewezen uitsluitend voor de vervulling van de onder letter a) vermelde taken, daaronder begrepen personeel dat door de bevoegde autoriteit van die Partij is aangewezen uitsluitend voor het besturen van die instellingen;
betekent 'materieel' van de instellingen voor de civiele bescherming: uitrusting, voorraden en transportmiddelen die door deze instellingen worden gebruikt voor de vervulling van de onder letter a) vermelde taken.
Artikel 62 - Algemene bescherming
Burgerinstellingen voor de civiele bescherming en hun personeel dienen te worden ontzien en beschermd overeenkomstig de bepalingen van dit Protocol, in het bijzonder van deze afdeling. Zij zijn gerechtigd hun taak op het gebied van de civiele bescherming te vervullen, behalve in geval van dwingende militaire noodzaak.
De bepalingen van de eerste paragraaf zijn eveneens van toepassing op burgers die, hoewel ze niet behoren tot een burgerinstelling voor civiele bescherming, gevolg geven aan een oproep van de bevoegde autoriteiten en onder hun toezicht taken op het gebied van de civiele bescherming vervullen.
Gebouwen en materieel die worden gebruikt voor doeleinden op het gebied van civiele bescherming alsmede schuilplaatsen die zijn bestemd voor de burgerbevolking vallen onder werking van artikel 52. Goederen die worden gebruikt voor doeleinden op het gebied van de civiele bescherming mogen niet worden vernietigd noch mag daaraan een andere bestemming worden gegeven, behalve door de Partij aan welke zij toebehoren.
Artikel 63 - Civiele bescherming in bezette gebieden
In bezette gebieden dienen de burgerinstellingen voor de civiele bescherming van de autoriteiten de voor de vervulling van hun taak noodzakelijke faciliteiten te ontvangen. Het personeel ervan mag onder geen enkele omstandigheid worden verplicht handelingen te verrichten die een juiste vervulling van die taak verhinderen. De bezettende Mogendheid mag op geen enkele wijze verandering brengen in de structuur of het personeel van dergelijke instellingen, waardoor de doeltreffende uitoefening van hun taak in gevaar zou kunnen worden gebracht. Van deze instellingen mag niet worden geëist dat zij voorrang geven aan de onderdanen of de belangen van die Mogendheid.
De bezettende Mogendheid mag de burgerinstellingen voor de civiele bescherming niet verplichten, dwingen of ertoe aanzetten hun taak te vervullen op voor de belangen van de burgerbevolking nadelige wijze.
De bezettende Mogendheid mag het personeel voor de civiele bescherming om veiligheidsredenen ontwapenen.
De bezettende Mogendheid mag aan gebouwen of materieel die toebehoren aan of in gebruik zijn bij een instelling voor de civiele bescherming, niet een andere bestemming geven of deze vorderen indien dat schadelijk voor de burgerbevolking zou zijn.
Mits de algemene regel, vervat in de vierde paragraaf, blijvend in acht wordt genomen, mag de bezettende Mogendheid die hulpmiddelen vorderen of daaraan een andere bestemming geven onder de volgende bijzondere voorwaarden:dat de gebouwen of het materieel nodig zijn voor andere behoeften van de burgerbevolking, en
dat de vordering of andere bestemming slechts duurt zolang deze noodzaak bestaat;
De bezettende Mogendheid mag aan de schuilplaatsen die ter beschikking van de burgerbevolking zijn gesteld of die de bevolking nodig heeft, niet een andere bestemming geven, noch deze vorderen.
Artikel 64 - Burgerinstellingen voor de civiele bescherming behorende tot neutrale Staten of andere Staten die geen Partij zijn bij het conflict, en internationale coördinerende instellingen
De artikelen 62, 63, 65 en 66 zijn eveneens van toepassing op het personeel en het materieel van de burgerinstellingen voor de civiele bescherming, behorende tot neutrale Staten of andere Staten welke geen Partij zijn bij het conflict, die met toestemming en onder toezicht van een Partij bij het conflict taken op het gebied van de civiele bescherming als vermeld in artikel 61 vervullen op het grondgebied van die Partij. Aan iedere betrokken Tegenpartij dient zo spoedig mogelijk kennis te worden gegeven van een zodanige bijstand. Deze activiteit mag onder geen enkele omstandigheid worden aangemerkt als inmenging in het conflict.
De Partijen bij het conflict die de in de eerste paragraaf bedoelde bijstand ontvangen, en de Hoge Verdragsluitende Partijen die deze verlenen, moeten indien nodig de internationale coördinatie van zodanige acties op het gebied van de civiele verdediging vergemakkelijken. In dat geval zijn de bepalingen van dit Hoofdstuk op de desbetreffende internationale instellingen van toepassing.
In bezette gebieden mag de bezettende Mogendheid de activiteiten van de burgerinstellingen voor de civiele bescherming, behorende tot neutrale Staten of andere Staten die geen Partij zijn bij het conflict, en van internationale coördinerende instellingen alleen verbieden of beperken indien zij kan waarborgen dat de taken op het gebied van de civiele bescherming met gebruikmaking van haar eigen hulpbronnen of van die van het bezette gebied in voldoende mate kunnen worden vervuld.
Artikel 65 - Beëindiging van de bescherming
De bescherming waarop de burgerinstellingen voor de civiele bescherming en het personeel, de gebouwen, de schuilplaatsen en het materieel aanspraak hebben, eindigt alleen, wanneer deze buiten hun eigenlijke taak voor de vijand schadelijke handelingen verrichten of worden gebruikt om dergelijke handelingen te verrichten. De bescherming eindigt evenwel slechts nadat een sommatie is gegeven waarin, telkens wanneer daartoe aanleiding is, een redelijke termijn wordt gesteld en nadat aan die sommatie geen gevolg is gegeven.
Als voor de vijand schadelijke handelingen worden niet beschouwd:het feit dat taken op het gebied van de civiele bescherming worden vervuld onder leiding of toezicht van militaire autoriteiten;
het feit dat burgerpersoneel voor de civiele bescherming samenwerkt met militair personeel bij de vervulling van taken op het gebied van de civiele bescherming, of dat militair personeel is ingedeeld bij burgerinstellingen voor de civiele bescherming;
het feit dat de vervulling van taken op het gebied van de civiele bescherming daarnaast ten goede zou kunnen komen aan militaire slachtoffers, in het bijzonder aan diegenen die buiten gevecht zijn gesteld.
Het feit dat het burgerpersoneel voor de civiele bescherming lichte persoonlijke wapens draagt ter handhaving van de orde of voor zijn eigen verdediging wordt evenmin als een voor de vijand schadelijke handeling beschouwd. In gebieden waar gevechten te land plaatsvinden of vermoedelijk zullen plaatsvinden, dienen de Partijen bij het conflict evenwel passende maatregelen te nemen om deze wapens te beperken tot handvuurwapens, zoals pistolen of revolvers, ten einde het onderscheid tussen het personeel voor de civiele bescherming en de strijders te vergemakkelijken. Zelfs indien het personeel voor de civiele bescherming andere lichte persoonlijke wapens draagt in dergelijke gebieden, dient het niettemin te worden ontzien en beschermd zodra het als zodanig is herkend.
Het feit dat burgerinstellingen voor de civiele bescherming op dezelfde wijze als de krijgsmacht zijn georganiseerd, of dat de dienst daarbij verplicht is, ontneemt hun evenmin de in dit hoofdstuk verleende bescherming.
Artikel 66 - Identificatie
Iedere Partij bij het conflict moet de herkenbaarheid trachten te verzekeren van haar burgerinstellingen voor de civiele bescherming en het personeel, de gebouwen en het materieel daarvan, wanneer deze uitsluitend dienst doen voor de vervulling van taken op het gebied van de civiele bescherming. De herkenbaarheid van de schuilplaatsen bestemd voor de burgerbevolking, dient op dezelfde wijze te worden verzekerd.
Iedere Partij bij het conflict moet eveneens trachten werkwijzen en procedures te aanvaarden en uit te voeren, die de herkenbaarheid mogelijk maken van schuilplaatsen voor de burgerbevolking, alsmede van personeel, gebouwen en materieel voor de civiele bescherming die het internationale kenteken van de civiele bescherming dragen of waarop dat is aangebracht.
In bezette gebieden en in gebieden waar gevechten plaatsvinden of vermoedelijk zullen plaatsvinden, behoort het personeel voor de civiele bescherming herkenbaar te zijn aan het internationale kenteken van de civiele bescherming en aan een identiteitskaart waaruit zijn status blijkt.
Het internationale kenteken van de civiele bescherming is een gelijkzijdige blauwe driehoek op een oranje veld, wanneer dit wordt gebruikt voor de bescherming van instellingen voor de civiele bescherming, het personeel, de gebouwen en het materieel daarvan, en voor schuilplaatsen voor de burgerbevolking.
De Partijen bij het conflict kunnen naast het kenteken, het gebruik overeenkomen van herkenningsseinen ter identificatie van de diensten voor de civiele bescherming.
De uitvoering van de bepalingen van de eerste tot en met de vierde paragraaf wordt beheerst door Hoofdstuk V van Bijlage I bij dit Protocol.
In vredestijd kan het in de vierde paragraaf omschreven teken met toestemming van de bevoegde nationale autoriteiten worden gebruikt ter identificatie van de diensten voor de civiele bescherming.
De Hoge Verdragsluitende Partijen en de Partijen bij het conflict dienen de noodzakelijke maatregelen te nemen voor het toezicht op het gebruik van het internationale kenteken van de civiele bescherming en voor het voorkomen en tegengaan van misbruik daarvan.
De herkenbaarheid van geneeskundig en geestelijk personeel, geneeskundige formaties en geneeskundige transportmiddelen voor de civiele bescherming wordt eveneens beheerst door artikel 18.
Artikel 67 - Leden van de strijdkrachten en militaire formaties die zijn ingedeeld bij instellingen voor de civiele bescherming
Leden van de strijdkrachten en militaire formaties die zijn ingedeeld bij instellingen voor de civiele bescherming dienen te worden ontzien en beschermd, mits:dat personeel en die formaties permanent zijn bestemd en uitsluitend dienen voor de vervulling van één van de in artikel 61 genoemde taken;
dat personeel, wanneer het eenmaal die bestemming heeft gekregen, geen andere militaire taken verricht gedurende het conflict;
dat personeel zich duidelijk van de andere leden van de strijdkrachten onderscheidt doordat het duidelijk zichtbaar het internationale kenteken van de civiele bescherming draagt, dat voldoende groot dient te zijn, en mits dat personeel is voorzien van de in Hoofdstuk V ban Bijlage I bij dit Protocol genoemde identiteitskaart, waaruit zijn status blijkt;
dat personeel en die formaties slechts zijn uitgerust met lichte persoonlijke wapens ter handhaving van de orde of voor hun eigen verdediging. De bepalingen van de derde paragraaf van artikel 65 zijn in dit geval eveneens van toepassing;
dat personeel niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelneemt en buiten zijn taak op het gebied van de civiele bescherming geen voor de Tegenpartij schadelijke handelingen verricht of wordt gebruikt om zodanige handelingen te verrichten;
dat personeel en die formaties hun taak op het gebied van de civiele bescherming uitsluitend binnen het nationale grondgebied van hun eigen Partij vervullen.

Het is ieder lid van de strijdkrachten dat is gebonden door de hierboven onder letters a) en b) gestelde voorwaarden, verboden de hierboven onder letter e) gestelde voorwaarden niet in acht te nemen.
De leden van de strijdkrachten die dienst doen binnen een instelling voor de civiele bescherming zijn, wanneer zij in handen van een Tegenpartij vallen, krijgsgevangenen. In bezet gebied mogen zij worden tewerkgesteld ten behoeve van taken op het gebied van de civiele bescherming, in zoverre dat noodzakelijk is, mits die tewerkstelling uitsluitend in het belang van de burgerbevolking van dat gebied is en geschiedt op basis van vrijwilligheid wanneer dat werk gevaarlijk is.
Op de gebouwen en de belangrijkste gedeelten van de uitrusting en transportmiddelen, van bij instellingen voor de civiele bescherming ingedeelde militaire formaties, dient het internationale kenteken van de civiele bescherming duidelijk te zijn aangebracht. Dit kenteken dient voldoende groot te zijn.
Het materieel en de gebouwen van de militaire formatie, die permanent bij instellingen voor de civiele bescherming zijn ingedeeld en uitsluitend zijn bestemd om taken op het gebied van de civiele bescherming te vervullen, blijven, indien zijn in de handen van een Tegenpartij vallen, onderworpen aan het oorlogsrecht. Aan dat materieel en die gebouwen mag echter geen andere bestemming dan die op het gebied van de civiele bescherming worden gegeven zolang zij nodig zijn voor de vervulling van taken op dat gebied, behalve in geval van dwingende militaire noodzaak, tenzij van tevoren voorzieningen zijn getroffen om in voldoende mate in de behoeften van de burgerbevolking te kunnen voorzien.
Afdeling II - Hulpverlening ten behoeve van de burgerbevolking
Artikel 68 - Toepassingsveld
De bepalingen van deze Afdeling zijn van toepassing op de burgerbevolking als omschreven in dit Protocol, en vormen een aanvulling op de artikelen 23, 55, 59, 60, 61 en 62 en de andere desbetreffende bepalingen van het Vierde Verdrag.

Artikel 69 - Fundamentele behoeften in bezette gebieden
De bezettende Mogendheid dient naast haar verplichting betreffende levensmiddelen en geneeskundige benodigdheden, vermeld in artikel 55 van het Vierde Verdrag, met alle haar ten dienste staande middelen en zonder enig nadelig onderscheid, eveneens te verzekeren dat kleding, bedden en beddengoed worden verstrekt, evenals noodonderdak, andere benodigdheden die onmisbaar zijn voor het overleven van de burgerbevolking van het bezette gebied, en goederen die nodig zijn voor de eredienst.
Op hulpverleningsacties ten behoeve van de burgerbevolking van bezette gebieden zijn de artikelen 59, 60, 61, 62, 108, 109, 110 en 111 van het Vierde Verdrag en artikel 71 van dit Protocol van toepassing; deze acties dienen onverwijld te worden uitgevoerd.
Artikel 70 - Hulpverleningsacties
Wanneer de burgerbevolking van enig grondgebied onder controle van een Partij bij het conflict en dat niet bezet is, niet voldoende is voorzien van benodigdheden vermeld in artikel 69 dienen hulpverleningsacties te worden ondernomen, welke van humanitaire en onpartijdige aard zijn en worden uitgevoerd zonder enig nadelig onderscheid, mits de bij die acties betrokken Partijen daarmee instemmen. Aanbiedingen voor zodanige hulp worden niet aangemerkt als inmenging in het gewapend conflict, noch als vijandige daden. Bij de verdeling van de hulpzendingen moet voorrang worden gegeven aan de personen aan wie krachtens het Vierde Verdrag en dit Protocol een voorkeursbehandeling of een bijzondere bescherming dient te worden verleend, zoals kinderen, aanstaande moeders, kraamvrouwen en zogende moeders.
De Partijen bij het conflict, alsmede iedere Hoge Verdragsluitende Partij dienen de snelle en ongehinderde doorgang toe te staan en te vergemakkelijken van alle zendingen, uitrusting en personeel voor hulpverlening overeenkomstig deze Afdeling, zelfs indien zodanige hulp is bestemd voor de burgerbevolking van de Tegenpartij.
De Partijen bij het conflict, alsmede iedere Hoge Verdragsluitende Partij die de doorgang van zendingen, uitrusting en personeel voor hulpverlening overeenkomstig de tweede paragraaf toestaan:hebben het recht regelingen van technische aard voor te schrijven, daaronder begrepen het nazicht en onderzoek krachtens welke een dergelijke doorgang is toegestaan;
kunnen een zodanige toestemming afhankelijk stellen van de voorwaarde dat de verdeling van de zendingen geschiedt onder toezicht ter plaatse van een beschermende Mogendheid;
mogen goederen voor hulpverlening op geen enkele wijze een andere bestemming geven, noch de doorzending daarvan vertragen, behalve in geval van dringende noodzaak in het belang van de betrokken burgerbevolking.
De Partijen bij het conflict dienen zendingen voor hulpverlening te beschermen en de snelle verdeling daarvan te vergemakkelijken.
De Partijen bij het conflict, alsmede iedere Hoge Verdragsluitende Partij dienen doeltreffende internationale coördinatie van de in de eerste paragraaf bedoelde hulpverleningsacties aan te moedigen en te vergemakkelijken.
Artikel 71 - Personeel deelnemend aan de hulpverleningsacties
Indien nodig kan de hulp die bij een hulpverleningsactie wordt verschaft mede personeel voor hulpverlening omvatten, in het bijzonder voor het transport en de verdeling van de hulpzendingen; de deelneming van dergelijk personeel is onderworpen aan de toestemming van de Partij op het grondgebied waarvan het zijn taken zal vervullen.
Dergelijk personeel dient te worden ontzien en beschermd.
Iedere Partij die hulpgoederen ontvangt moet het in de eerste paragraaf bedoelde personeel voor hulpverlening zoveel mogelijk bijstand verlenen bij de vervulling van zijn taak op het gebied van de hulpverlening. Alleen in het geval van dwingende militaire noodzaak mogen de activiteiten van het personeel voor hulpverlening worden beperkt of mogen aan zijn bewegingen tijdelijk beperkingen worden aangebracht.
Het personeel voor hulpverlening mag onder geen enkele omstandigheid de grenzen van zijn taak, als aangegeven door dit Protocol, overschrijden. In het bijzonder dient het rekening te houden met de vereisten in verband met de veiligheid, die gelden voor de Partij op het grondgebied waarvan het zijn taak vervult. De opdracht van elk lid van het personeel dat deze voorwaarden niet in acht neemt, kan worden beëindigd.
Afdeling III - Behandeling van personen in de macht van een partij bij het conflict
Hoofdstuk I - Toepassingsveld en bescherming van personen en goederen
Artikel 72 - Toepassingsveld
De bepalingen van deze Afdeling vormen een aanvulling op de regels betreffende de humanitaire bescherming van de zich in de macht van een partij bij het conflict bevindende burgers en goederen van burgerlijke aard, vervat in het Vierde Verdrag, en in het bijzonder in Titels I en III daarvan, evenals op de andere toepasselijke regels van het internationaal recht betreffende de bescherming van de fundamentele rechten van de mens gedurende internationale gewapende conflicten.

Artikel 73 - Vluchtelingen en Staatlozen
Personen, die vóór de aanvang van de vijandelijkheden werden beschouwd als staatlozen of als vluchtelingen krachtens de relevante en door de betrokken Partijen aanvaarde internationale akten of krachtens de nationale wetgeving van de Staat die hen heeft opgenomen of waar zij verblijven, zijn beschermde personen in de zin van Titels I en III van het Vierde Verdrag, onder alle omstandigheden en zonder enig nadelig onderscheid.

Artikel 74 - Gezinshereniging
De Hoge Verdragsluitende Partijen en de Partijen bij het conflict dienen op alle mogelijke wijzen de hereniging te vergemakkelijken van gezinnen die ten gevolge van gewapende conflicten zijn uiteengeraakt en dienen in het bijzonder het werk te bevorderen van de humanitaire organisaties die deze taak vervullen, overeenkomstig de bepalingen van de Verdragen en dit Protocol en overeenkomstig hun onderscheiden veiligheidsvoorschriften.

Artikel 75 - Fundamentele waarborgen
Personen die zich in de macht van een Partij bij het conflict bevinden en die niet een gunstiger behandeling genieten krachtens de Verdragen of dit Protocol, dienen, voor zover zij zijn betrokken bij een situatie als bedoeld in artikel 1 van dit Protocol, onder alle omstandigheden menselijk te worden behandeld en dienen tenminste de door dit artikel verleende bescherming te genieten zonder enig onderscheid, gebaseerd op ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst of geloof, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, rijkdom, geboorte of andere status, of op enig ander soortgelijk criterium. Iedere Partij dient de persoon, de eer, de overtuigingen en de godsdienstige gebruiken van zodanige personen te eerbiedigen.
De volgende daden zijn en blijven te allen tijde en op iedere plaats verboden, of zij nu door burger- of militaire functionarissen worden begaan:aanslagen op het leven, de gezondheid, of het lichamelijke of geestelijke welzijn van personen, in het bijzonder:moord;
marteling van elke aard, hetzij lichamelijk of geestelijk;
lijfstraffen; en
verminking;
aanslagen op de persoonlijke waardigheid, in het bijzonder vernederende en onterende behandeling, gedwongen prostitutie en iedere vorm van aanranding van de eerbaarheid;
het nemen van gijzelaars;
collectieve straffen; en
het dreigen om een van de bovengenoemde daden te begaan.
Ieder die wordt gearresteerd, gevangen gehouden of geïnterneerd wegens handelingen in verband met het gewapend conflict, dient onverwijld, in een taal die hij verstaat, op de hoogte te worden gebracht van de redenen waarom die maatregelen zijn genomen. Behalve in het geval van arrestatie of gevangenhouding wegens strafbare feiten dienen zodanige personen op zo kort mogelijke termijn te worden vrijgelaten en in ieder geval zodra de omstandigheden die de arrestatie, de gevangenhouding of de internering rechtvaardigen, hebben opgehouden te bestaan.
Geen veroordeling mag worden uitgesproken en geen straf mag ten uitvoer worden gelegd met betrekking tot een persoon die schuldig is bevonden aan een strafbaar feit verband houdende met het gewapende conflict, dan krachtens voorafgaand vonnis, gewezen door een onpartijdige en op regelmatige wijze samengestelde rechtbank die de algemene beginselen van een behoorlijke gerechtelijke procedure in acht neemt, welke mede het volgende inhouden:de procedure dient er in te voorzien dat een verdachte onverwijld op de hoogte wordt gebracht van de bijzonderheden van het strafbare feit dat hem ten laste wordt gelegd, en dient deze verdachte voor en tijdens het proces alle nodige rechten en middelen voor zijn verdediging te verschaffen;
niemand mag worden veroordeeld wegens een strafbaar feit, behalve op grond van individuele strafrechtelijke verantwoordelijkheid;
niemand kan worden vervolgd of veroordeeld wegens een handelen of nalaten, dat geen strafbaar feit uitmaakte naar het nationale of internationale recht dat op hem van toepassing was ten tijde van dit handelen of nalaten. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die welke van toepassing was ten tijde van het strafbaar feit. Indien de wet, na het begaan van het strafbaar feit in de oplegging van een lichtere straf mocht voorzien, dient de overtreder daarvan te genieten;
ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet is bewezen;
ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft het recht in zijn tegenwoordigheid te worden berecht;
niemand mag worden gedwongen tegen zichzelf te getuigen of een bekentenis af te leggen;
ieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft het recht de getuigen à charge te ondervragen of te doen ondervragen, en het oproepen en ondervragen van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als geschiedt ten aanzien van getuigen à charge;
niemand mag door dezelfde Partij worden vervolgd of gestraft wegens een strafbaar feit met betrekking waartoe eerder overeenkomstig hetzelfde recht en dezelfde gerechtelijke procedure een einduitspraak is gewezen, waarbij die persoon werd vrijgesproken of veroordeeld;
ieder die wordt vervolgd wegens een strafbaar feit heeft er recht op dat het vonnis in het openbaar wordt uitgesproken;
een veroordeelde dient bij zijn veroordeling op de hoogte te worden gesteld van de rechtsmiddelen en andere middelen die hem ter beschikking staan en van de termijnen waarbinnen die moeten worden aangewend.
Vrouwen die van hun vrijheid zijn beroofd om redenen verband houdende met het gewapende conflict, dienen te worden ondergebracht in verblijven die zijn gescheiden van die van de mannen. Zij dienen onder rechtstreeks toezicht van vrouwen te worden geplaatst. Niettemin moeten gezinnen, wanneer deze zijn gearresteerd, gevangen worden gehouden of zijn geïnterneerd, zoveel mogelijk op dezelfde plaats en in gezinsverband worden gehuisvest.
Personen die zijn gearresteerd, gevangen worden gehouden of zijn geïnterneerd om redenen, verband houdende met het gewapende conflict, dienen de door dit artikel verleende bescherming te genieten tot hun definitieve invrijheidsstelling, repatriëring of nieuwe vestiging, ook na het einde van het gewapende conflict.
Ten einde iedere onzekerheid weg te nemen met betrekking tot de vervolging en berechting van personen, beschuldigd van oorlogsmisdrijven of misdrijven tegen de mensheid, gelden de volgende beginselen:personen die worden beschuldigd van zodanige misdrijven dienen gerechtelijk te worden vervolgd en berecht overeenkomstig de regels van het toepasselijke internationaal recht; en
aan eenieder die niet een gunstiger behandeling krachtens de Verdragen of dit Protocol geniet, dient de in dit artikel verleende behandeling te worden toegekend, ongeacht of de misdrijven waarvan hij wordt beschuldigd ernstige inbreuken van de Verdragen of dit Protocol uitmaken.
Geen enkele bepaling van dit artikel mag worden uitgelegd als een beperking of een aantasting van enige andere, gunstiger bepaling die een ruimere bescherming krachtens de regels van het toepasselijke internationaal recht toekent aan de personen, op wie de eerste paragraaf van toepassing is.
Hoofdstuk II - Maatregelen ten behoeve van vrouwen en kinderen
Artikel 76 - Bescherming van vrouwen
Vrouwen dienen in het bijzonder te worden ontzien en met name te worden beschermd tegen verkrachting, gedwongen prostitutie en iedere andere vorm van aanranding van de eerbaarheid.
Gevallen van zwangere vrouwen, en met de zorg voor kleine kinderen belaste moeders die zijn gearresteerd, gevangen worden gehouden of zijn geïnterneerd om redenen verband houdende met het gewapende conflict, dienen met de hoogste prioriteit te worden onderzocht.
De partijen bij het conflict moeten, voor zover mogelijk, trachten te vermijden dat doodvonnissen worden uitgesproken ten aanzien van zwangere vrouwen, of met de zorg voor kleine kinderen belaste moeders, wegens een strafbaar feit dat verband houdt met het gewapende conflict. De doodstraf voor zodanige strafbare feiten zal bij die vrouwen niet worden voltrokken.
Artikel 77 - Bescherming van kinderen
Kinderen dienen in het bijzonder te worden ontzien en beschermd tegen iedere vorm van aanranding van de eerbaarheid. De partijen bij het conflict dienen hen de zorg en de hulp te geven die zij nodig hebben, hetzij wegens hun leeftijd of om welke andere reden ook.
De Partijen bij het conflict dienen alle praktisch uitvoerbare maatregelen te nemen opdat kinderen die de leeftijd van vijftien jaar nog niet hebben bereikt, niet rechtstreeks aan de vijandelijkheden deelnemen, en zij dienen zich in het bijzonder ervan te onthouden hen bij hun krijgsmacht in dienst te nemen. De Partijen bij het conflict moeten, wanneer zij personen onder de wapens roepen die wel de leeftijd van vijftien, maar nog niet die van achttien jaar hebben bereikt, trachten voorrang aan de oudsten te geven.
Wanneer in uitzonderlijke gevallen en ondanks de bepalingen van de tweede paragraaf, kinderen die de leeftijd van vijftien jaar nog niet hebben bereikt, rechtstreeks deelnemen aan de vijandelijkheden en in handen van een Tegenpartij vallen, blijven zij de voordelen genieten van de door dit artikel verleende bescherming, ongeacht of zij krijgsgevangenen zijn of niet.
Wanneer kinderen zijn gearresteerd, gevangen worden gehouden of zijn geïnterneerd om redenen verband houdende met het gewapende conflict, dienen zij te worden ondergebracht in verblijven die zijn gescheiden van die van de volwassenen, behalve in gevallen waarin gezinnen in gezinsverband zijn gehuisvest als bepaald in artikel 75, vijfde paragraaf.
De doodstraf wegens een strafbaar feit verband houdende met het gewapende conflict, mag niet worden voltrokken bij personen die ten tijde van het strafbaar feit de leeftijd van achttien jaar nog niet hadden bereikt.
Artikel 78 - Evacuatie van kinderen
Geen enkele Partij bij het conflict mag maatregelen treffen voor de evacuatie naar een ander land van kinderen die geen onderdaan zijn van die Partij, met uitzondering van tijdelijke evacuatie, indien dwingende redenen verband houdende met hun gezondheid of de geneeskundige behandeling van de kinderen of, behalve in bezet gebied, hun veiligheid dat vereisen. Indien de ouders of voogden kunnen worden bereikt, is hun schriftelijke toestemming voor de evacuatie vereist. Indien deze personen niet kunnen worden bereikt, is de schriftelijke toestemming voor zodanige evacuatie vereist van de personen die krachtens wet of gewoonte in de eerste plaats verantwoordelijk zijn voor de zorg voor de kinderen. Iedere zodanige evacuatie dient onder toezicht te staan van de beschermende Mogendheid, in overeenstemming met de betrokken Partijen, te weten de Partij die de maatregelen voor de evacuatie treft, de Partij die de kinderen opneemt en alle Partijen wier onderdanen worden geëvacueerd. Te allen tijde dienen alle Partijen bij het conflict alle praktisch uitvoerbare maatregelen te nemen ten einde te voorkomen dat de evacuatie in gevaar wordt gebracht.
Wanneer een evacuatie in overeenstemming met de eerste paragraaf plaatsvindt, dient er voor te worden gezorgd dat de opvoeding van ieder geëvacueerd kind, daaronder begrepen zijn godsdienstige en morele opvoeding zoals zijn ouders die wensen, zoveel mogelijk ononderbroken wordt voortgezet.
Ten einde de krachtens dit artikel geëvacueerde kinderen de terugkeer naar hun familie en hun land te vergemakkelijken, dienen de autoriteiten van de Partij die de maatregelen voor de evacuatie treft en, in het voorkomende geval, de autoriteiten van het ontvangende land, van ieder kind een kaart samen te stellen, met foto's, die zijn aan het Centrale Opsporingsbureau van het Internationale Comité van het Rode Kruis dienen te zenden. Op iedere kaart dienen, voor zover dat mogelijk is en daarvan geen schadelijke gevolgen voor het kind zijn te vrezen, de volgende gegevens te zijn vermeld:naam (namen) van het kind;
voornaam (-namen) van het kind;
geslacht van het kind;
plaats en datum van geboorte (of, indien die datum niet bekend is, de vermoedelijke leeftijd);
naam en voornaam van de vader;
naam en voornaam van de moeder en eventueel meisjesnaam van de moeder;
naaste bloedverwanten van het kind;
nationaliteit van het kind;
moedertaal van het kind en iedere andere taal die het spreekt;
adres van het gezin waaruit het kind afkomstig is;
ieder nummer dat aan het kind ter identificatie is gegeven;
gezondheidstoestand van het kind;
bloedgroep van het kind;
eventuele bijzondere kentekens;
de datum waarop en de plaats waar het kind werd gevonden;
de datum waarop en de plaats waar het kind zijn land heeft verlaten;
eventuele godsdienst van het kind;
huidig adres van het kind in het ontvangende land;
ingeval het kind mocht overlijden voor zijn terugkeer, de datum waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder het is overleden, alsmede de plaats waar het is begraven.
Hoofdstuk III - Journalisten
Artikel 79 - Maatregelen ter bescherming van journalisten
Journalisten die gevaarlijke beroepswerkzaamheden verrichten in gebieden waar zich gewapende conflicten voordoen, dienen te worden beschouwd als burgers in de zin van de eerste paragraaf van artikel 50.
Zij dienen als zodanig te worden beschermd krachtens de Verdragen en dit Protocol, mits zij geen acties ondernemen die een aantasting vormen van hun status als burger, en onverminderd het recht van oorlogscorrespondenten die zijn geaccrediteerd bij de strijdkrachten om van de in artikel 4, A., 4. van het Derde Verdrag verleende status te genieten.
Zij kunnen een identiteitskaart verkrijgen, overeenkomstig het model dat is opgenomen in bijlage II bij dit protocol. Deze kaart, die wordt uitgegeven door de regering van de Staat waarvan de journalist onderdaan is, op wiens grondgebied hij woont of waar het persagentschap of persorgaan waarbij hij in dienst is zich bevindt, dient als blijk van zijn status van journalist.
 
Titel V - Tenuitvoerlegging van de verdragen en dit protocol
Afdeling I - Algemene bepalingen
Artikel 80 - Maatregelen voor de tenuitvoerlegging
De Hoge Verdragsluitende Partijen en de partijen bij het conflict dienen onverwijld alle noodzakelijke maatregelen te treffen voor de nakoming van hun verplichtingen krachtens de Verdragen en dit Protocol.
De Hoge Verdragsluitende Partijen en de Partijen bij het conflict dienen opdrachten en instructies te geven om de naleving van de Verdragen en dit Protocol te verzekeren en dienen toezicht te houden op de tenuitvoerlegging ervan.
Artikel 81 - Werkzaamheden van het Rode Kruis en andere humanitaire organisaties
De Partijen bij het conflict dienen het Internationale Comité van het Rode Kruis naar hun vermogen alle faciliteiten te verlenen om dit Comité in staat te stellen de humanitaire taak te vervullen waarmee het door de Verdragen en dit Protocol is belast, ten einde bescherming van en bijstand aan de slachtoffers van conflicten te verzekeren; het Internationale Comité van het Rode Kruis kan tevens alle andere humanitaire werkzaamheden ten behoeve van die slachtoffers verrichten, mits de desbetreffende Partijen bij het conflict daarmee instemmen.
De partijen bij het conflict dienen hun onderscheiden Rode Kruis (Rode Halve Maan, Rode Leeuw en Zon) verenigingen de faciliteiten te verlenen die nodig zijn om hun humanitaire werkzaamheden ten behoeve van de slachtoffers van het conflict te verrichten overeenkomstig de bepalingen van de Verdragen en dit Protocol, en overeenkomstig de grondbeginselen van het Rode Kruis, zoals geformuleerd door de Internationale Conferenties van het Rode Kruis.
De Hoge Verdragsluitende Partijen en de Partijen bij het conflict dienen op elke mogelijke wijze de bijstand te vergemakkelijken die de Rode Kruis (Rode Halve Maan, Rode Leeuw en Zon) verenigingen en de Liga van Rode Kruisverenigingen verschaffen aan de slachtoffers van conflicten overeenkomstig de grondbeginselen van het Rode Kruis, zoals geformuleerd door de Internationale Conferenties van het Rode Kruis.
De Hoge Verdragsluitende Partijen en de Partijen bij het conflict dienen zoveel als mogelijk is faciliteiten, gelijk aan die welke in de tweede en de derde paragraaf zijn vermeld, te verlenen aan de andere in de Verdragen en dit Protocol bedoelde humanitaire organisaties, die door de onderscheiden Partijen bij het conflict zijn toegelaten en die hun humanitaire werkzaamheden overeenkomstig de bepalingen van de Verdragen en dit Protocol vervullen.
Artikel 82 - Juridische adviseurs in de strijdkrachten
De Hoge Verdragsluitende Partijen dienen er altijd, en de Partijen bij het conflict dienen er ten tijde van een gewapend conflict, zorg voor te dragen dat juridische adviseurs beschikbaar zijn om wanneer nodig, de militaire commandanten op het daartoe passende niveau raad te geven betreffende de toepassing van de Verdragen en dit Protocol en betreffende het aan de strijdkrachten inzake dit onderwerp te geven passende onderricht.


Artikel 83 - Verspreiding
De Hoge Verdragsluitende Partijen verbinden zich, zowel in vredestijd als ten tijde van een gewapend conflict, de Verdragen en dit Protocol op zo ruim mogelijke schaal in hun onderscheiden landen te verspreiden, en in het bijzonder de bestudering ervan in de programma's van hun militaire opleiding op te nemen en de bestudering ervan door de burgerbevolking te stimuleren, zodat de strijdkrachten en de burgerbevolking van die akten op de hoogte kunnen zijn.
Alle militaire of burgerlijke autoriteiten die ten tijde van een gewapend conflict verantwoordelijkheid dragen met betrekking tot de toepassing van de Verdragen en dit Protocol dienen een volledige kennis van de tekst ervan te bezitten.
Artikel 84 - Regels voor de toepassing
De Hoge Verdragsluitende Partijen dienen elkaar zo spoedig mogelijk door tussenkomst van de depositaris en, in voorkomende gevallen, van de beschermende Mogendheden, hun officiële vertalingen van dit Protocol mede te delen, evenals de wetten en voorschriften die zij ter verzekering van de toepassing daarvan tot stand mochten brengen.

Afdeling II - Het tegengaan van inbreuken op de verdragen en dit protocol
Artikel 85 - Het tegengaan van inbreuken op dit Protocol
De bepalingen van de Verdragen betreffende het tegengaan van inbreuken en ernstige inbreuken, als aangevuld door deze Afdeling, zijn van toepassing op het tegengaan van inbreuken en ernstige inbreuken op dit Protocol.
De handelingen die in de Verdragen als ernstige inbreuken worden omschreven, vormen ernstige inbreuken op dit Protocol, wanneer zij worden begaan tegen zich in de macht van een Tegenpartij bevindende personen die worden beschermd door de artikelen 44, 45 en 73 van dit Protocol, tegen de gewonden, zieken en schipbreukelingen van de Tegenpartij die door dit Protocol worden beschermd, of tegen het geneeskundig personeel, het geestelijk personeel, geneeskundige formaties of geneeskundige transporten die zich onder de zeggenschap van de Tegenpartij bevinden en door dit Protocol worden beschermd.
Naast de in artikel 11 omschreven ernstige inbreuken worden de volgende handelingen als ernstige inbreuken op dit Protocol beschouwd wanneer zij opzettelijk en in strijd met de desbetreffende bepalingen van dit Protocol worden begaan en de dood of ernstig lichamelijk letsel met zich brengen dan wel de gezondheid in ernstige mate benadelen:het doen van aanvallen op de burgerbevolking of individuele burgers;
het uitvoeren van een niet-onderscheidende aanval waardoor de burgerbevolking of goederen van burgerlijke aard worden getroffen, in de wetenschap dat een zodanige aanval buitensporig verlies aan mensenlevens, verwondingen van burgers of schade aan goederen van burgerlijke aard als omschreven in artikel 57, paragraaf 2, letter a), iii) zal veroorzaken;
het uitvoeren van een aanval tegen werken of installaties die gevaarlijke krachten bevatten, in de wetenschap dat een zodanige aanval buitensporig verlies aan mensenlevens, verwondingen van burgers of schade aan goederen van burgerlijke aard als omschreven in artikel 57, paragraaf 2, letter a), iii) zal veroorzaken;
het doen van aanvallen op onverdedigde plaatsen en gedemilitariseerde zones;
het doen van aanvallen op een persoon in de wetenschap dat hij buiten gevecht verkeert;
het perfide gebruik, in strijd met artikel 37, van het kenteken van het Rode Kruis, de Rode Halve Maan of de Rode Leeuw en Zon of van andere door de Verdragen en dit Protocol erkende beschermde tekens.
Naast de ernstige inbreuken, omschreven in de voorgaande paragrafen en de Verdragen, worden de volgende feiten als ernstige inbreuken op dit Protocol beschouwd wanneer zij opzettelijk en in strijd met de Verdragen en dit Protocol worden begaan:het overbrengen door de bezettende Mogendheid van gedeelten van haar eigen burgerbevolking naar het door haar bezette gebied, of de deportatie of overbrenging van de gehele bevolking van het bezette gebied of van een deel daarvan binnen of buiten dat gebied in strijd met artikel 49 van het Vierde Verdrag;
ongerechtvaardigde vertraging bij de repatriëring van krijgsgevangenen of burgers;
praktijken van apartheid en andere onmenselijke en onterende praktijken, die een aanslag op de menselijke waardigheid vormen en zijn gebaseerd op rassendiscriminatie;
het doen van aanvallen op duidelijk als zodanig herkenbare historische monumenten, kunstwerken of plaatsen van eredienst die het culturele of geestelijke erfdeel van de volkeren vormen en waaraan een bijzondere bescherming is verleend door een speciale regeling, bijvoorbeeld in het kader van een bevoegde internationale organisatie, wanneer daarvan verwoesting op grote schaal het gevolg is, er geen bewijs bestaat van schending door de tegenpartij van artikel 53, letter b), en wanneer zodanige historische monumenten, kunstwerken en plaatsen van eredienst niet in de onmiddellijke nabijheid van militaire doelen zijn gelegen;
het beroven van een persoon die door de Verdragen wordt beschermd of die wordt bedoeld in de tweede paragraaf van dit artikel, van zijn recht om eerlijk en volgens de toepasselijke regels te worden berecht.
Onverminderd de toepassing van de Verdragen en dit protocol worden ernstige inbreuken op deze akten als oorlogsmisdaden beschouwd.
Artikel 86 - Nalatigheid
De Hoge Verdragsluitende Partijen en de Partijen bij het conflict dienen ernstige inbreuken op de Verdragen of dit Protocol, die voortkomen uit een nalaten om te handelen terwijl een verplichting om te handelen bestond, tegen te gaan, en dienen maatregelen te nemen om alle andere uit een zodanig nalaten voortkomende inbreuken te doen ophouden.
Het feit dat een inbreuk op de Verdragen of dit Protocol is begaan door een ondergeschikte ontheft zijn meerderen niet van hun strafrechtelijke, onderscheidenlijk disciplinaire verantwoordelijkheid, naar gelang van de omstandigheden, wanneer deze meerderen wisten, of over inlichtingen beschikten waardoor zij onder de omstandigheden van dat ogenblik konden begrijpen dat hij een zodanige inbreuk beging of op het punt stond te begaan en wanneer zij niet alle praktisch uitvoerbare maatregelen die in hun vermogen lagen, hebben getroffen om de inbreuk te voorkomen of tegen te gaan.
Artikel 87 - Verplichtingen van de commandanten
De Hoge Verdragsluitende Partijen en de Partijen bij het conflict dienen de militaire commandanten te verplichten om met betrekking tot de leden van de strijdkrachten, die onder hun bevel staan, en andere personen, waarover zij zeggenschap uitoefenen, inbreuken op de Verdragen en dit Protocol te voorkomen, alsmede, indien nodig, deze te doen ophouden en aan de bevoegde autoriteiten te melden.
Ten einde inbreuken te voorkomen en te doen ophouden, dienen de Hoge Verdragsluitende Partijen en de Partijen bij het conflict de commandanten te verplichten in overeenstemming met het niveau van hun verantwoordelijkheid, ervoor zorg te dragen dat de leden van de strijdkrachten die onder hun bevel staan, hun verplichtingen krachtens de Verdragen en dit Protocol kennen.
De Hoge Verdragsluitende Partijen en de Partijen bij het conflict dienen iedere commandant die weet dat ondergeschikten of andere personen onder zijn zeggenschap op het punt staan een inbreuk op de Verdragen of dit Protocol te begaan of een dergelijke inbreuk hebben begaan, te verplichten tot het ondernemen van de nodige stappen ter voorkoming van zodanige schendingen van de Verdragen of dit Protocol en, indien daartoe aanleiding is, tot het aanvangen van een disciplinaire of strafrechtelijke procedure tegen degenen die die akten hebben geschonden.
Artikel 88 - Wederzijdse rechtshulp in strafzaken
De Hoge Verdragsluitende Partijen verlenen elkaar in zo ruim mogelijke mate rechtshulp in verband met iedere strafrechtelijke procedure die betrekking heeft op ernstige inbreuken op de Verdragen en dit Protocol.
Met inachtneming van de in de Verdragen en in artikel 85, eerste paragraaf, van dit Protocol neergelegde rechten en verplichtingen en wanneer de omstandigheden zulks toelaten, werken de Hoge Verdragsluitende Partijen samen op het gebied van uitlevering. Zij nemen het verzoek van de Staat op wiens grondgebied de beweerde inbreuk heeft plaatsgevonden, op passende wijze in overweging.
De wet van de aangezochte Hoge Verdragsluitende Partij is in alle gevallen van toepassing. De bepalingen van de voorgaande paragrafen laten evenwel onverlet de verplichtingen, voortvloeiende uit de bepalingen van enige andere overeenkomst van bilaterale of multilaterale aard, die het terrein van de wederzijdse rechtshulp in strafzaken geheel of gedeeltelijk beheerst of zal beheersen.
Artikel 89 - Samenwerking
In gevallen van ernstige schendingen van de Verdragen of dit Protocol verbinden de Hoge Verdragsluitende Partijen zich, tezamen of afzonderlijk, op te treden in samenwerking met de Verenigde Naties en in overeenstemming met het Handvest van de Verenigde Naties.

Artikel 90 - Internationale Commissie voor feitenonderzoek
Er wordt een Internationale Commissie voor feitenonderzoek (hierna te noemen 'de Commissie') ingesteld, bestaande uit vijftien leden van hoog zedelijk gehalte en erkende onpartijdigheid.
De depositaris roept, wanneer ten minste twintig Hoge Verdragsluitende Partijen er mee hebben ingestemd overeenkomstig de tweede paragraaf de bevoegdheid van de Commissie te aanvaarden, en daarna met tussenpozen van vijf jaar, een vergadering bijeen van vertegenwoordigers van die Hoge Verdragsluitende Partijen, ten einde de leden van de Commissie te verkiezen. Op die vergadering kiezen de vertegenwoordigers de leden van de Commissie bij geheime stemming uit een lijst van personen, waarop ieder van die Hoge Verdragsluitende Partijen één persoon mag plaatsen.
De leden van de Commissie treden op in hun persoonlijke hoedanigheid en blijven in functie tot de verkiezing van nieuwe leden op de volgende vergadering.
Bij de verkiezing dragen de Hoge Verdragsluitende Partijen ervoor zorg dat de personen die in de Commissie worden gekozen ieder afzonderlijk de vereiste hoedanigheden bezitten, en dat in de Commissie als geheel een evenredige geografische vertegenwoordiging is verzekerd.
In het geval van een tussentijdse vacature vervult de Commissie deze zelf, waarbij zij het bepaalde onder de voorgaande letters in acht neemt.
De depositaris stelt de Commissie de voor de vervulling van haar taak noodzakelijke administratieve voorzieningen ter beschikking.
De Hoge Verdragsluitende Partijen kunnen ten tijde van de ondertekening of de bekrachtiging van dit Protocol, van de toetreding daartoe of op ieder later tijdstip verklaren, dat zij ipso facto en zonder bijzondere overeenkomst met betrekking tot iedere andere Hoge Verdragsluitende Partij die dezelfde verplichtingen aanvaardt, de bevoegdheid van de Commissie erkennen om volgens de bepalingen van dit artikel een onderzoek in te stellen naar aanleiding van beschuldigingen van die andere Partij.
De bovenbedoelde verklaringen dienen te worden neergelegd bij de depositaris, die afschriften daarvan aan de Hoge Verdragsluitende Partijen doet toekomen.
De Commissie is bevoegd:ieder feit te onderzoeken, waarvan wordt beweerd dat het een ernstige inbreuk als omschreven in de Verdragen en dit Protocol of een andere ernstige schending van de Verdragen of dit Protocol oplevert;
door het verlenen van haar goede diensten de terugkeer te bevorderen van een geesteshouding, gericht op eerbiediging van de bepalingen van de Verdragen en dit Protocol.
In andere situaties stelt de Commissie op verzoek van een Partij bij het conflict alleen een onderzoek in, wanneer de andere betrokken Partij of Partijen daarmee instemmen.
Onverminderd de voorgaande bepalingen van deze paragraaf blijven de bepalingen van de artikelen 52 van het Eerste Verdrag, 53 van het Tweede Verdrag, 132 van het Derde Verdrag en 149 van het Vierde Verdrag van toepassing op iedere beweerde schending van de Verdragen, en zijn zij eveneens van toepassing op iedere beweerde schending van dit Protocol.
Tenzij de betrokken Partijen anders overeenkomen, worden alle onderzoeken uitgevoerd door een Kamer, bestaande uit zeven leden, die als volgt worden aangewezen:vijf leden van de Commissie die geen onderdaan mogen zijn van de Partijen bij het conflict, en die worden aangewezen door de Voorzitter van de Commissie op basis van een evenredige vertegenwoordiging van de geografische gebieden, na raadpleging van de Partijen bij het conflict;
twee leden ad hoc, die geen onderdaan mogen zijn van de Partijen bij het conflict, van wie er door ieder van die Partijen één wordt aangewezen.
Na ontvangst van een verzoek om een onderzoek stelt de Voorzitter van de Commissie een passende termijn vast voor de vorming van een Kamer. Indien één of meer leden ad hoc niet binnen de vastgestelde termijn zijn aangewezen, gaat de Voorzitter terstond over tot de aanwijzing van het ontbrekende lid of de ontbrekende leden van de Kamer.
De kamer die krachtens de derde paragraaf is gevormd om een onderzoek uit te voeren, verzoekt de Partijen bij het conflict hun medewerking te verlenen en bewijsmateriaal over te leggen. De Kamer kan ook ander bewijsmateriaal, dat zij ter zake dienend acht, trachten te verkrijgen en kan een onderzoek ter plaatse instellen.
De partijen moeten van alle bewijsmateriaal op de hoogte worden gebracht; zij hebben het recht opmerkingen daarover te doen toekomen aan de Commissie.
Iedere partij heeft het recht het bewijsmateriaal aan te vechten.
De Commissie legt aan de Partijen een rapport voor betreffende de bevindingen van de Kamer, vergezeld van de aanbevelingen die zij passend acht.
Indien de Kamer niet in staat is voldoende bewijsmateriaal te verzamelen om tot feitelijke en onpartijdige conclusies te komen, maakt de Commissie de redenen daarvan bekend.
De Commissie maakt haar conclusies niet openbaar, tenzij alle Partijen bij het conflict zulks aan de Commissie hebben verzocht.
De Commissie stelt haar eigen huishoudelijk reglement vast, met inbegrip van de regels betreffende het voorzitterschap van de Commissie en het voorzitterschap van de Kamer. Dit reglement verzekert, dat de taken van de Voorzitter van de Commissie te allen tijde kunnen worden uitgeoefend en dat deze, in het geval van een onderzoek, worden uitgeoefend door iemand die geen onderdaan is van een Partij bij het conflict.
De administratieve kosten van de Commissie worden gedekt door contributies van de Hoge Verdragsluitende Partijen die een verklaring krachtens de tweede paragraaf hebben afgelegd, en door vrijwillige contributies. De Partij of de Partijen bij het conflict die om een onderzoek verzoeken, dienen de nodige gelden voor te schieten voor de kosten gemaakt door een Kamer; deze gelden worden terugbetaald door de Partij of de Partijen waartegen de beschuldigingen naar voren zijn gebracht, tot een bedrag van 50% van de kosten van de Kamer. Wanneer voor de Kamer van de andere zijde eveneens beweringen naar voren zijn gebracht, dient iedere Partij 50% van de benodigde gelden voor te schieten.
Artikel 91 - Aansprakelijkheid
Een partij bij het conflict dat de bepalingen van de Verdragen of dit Protocol schendt, is gehouden, indien daartoe aanleiding is, schadevergoeding te betalen. Zij is aansprakelijk voor alle handelingen verricht door de personen die deel uitmaken van haar strijdkrachten.

 
Titel VI - Slotbepalingen
Artikel 92 - Ondertekening
Dit Protocol staat open voor ondertekening door de Partijen bij de Verdragen zes maanden na de ondertekening van de slotakte en blijft open gedurende een periode van twaalf maanden.

Artikel 93 - Bekrachtiging
Dit Protocol dient zo spoedig mogelijk te worden bekrachtigd. De akten van bekrachtiging dienen te worden neergelegd bij de Zwitserse Bondsstaat, die depositaris van de Verdragen is.

Artikel 94 - Toetreding
Dit Protocol staat open voor toetreding door iedere Partij bij de Verdragen, die het niet heeft ondertekend. De akten van toetreding dienen te worden neergelegd bij de depositaris

Artikel 95 - Inwerkingtreding
Dit Protocol treedt in werking zes maanden nadat twee akten van bekrachtiging of toetreding zijn neergelegd.
Ten aanzien van iedere Partij bij de Verdragen die dit Protocol daarna bekrachtigt of daartoe toetreedt, treedt het in werking zes maanden nadat die Partij haar akte van bekrachtiging of toetreding heeft neergelegd.
Artikel 96 - Verdragsbetrekkingen na de inwerkingtreding van dit Protocol
In het geval dat de Partijen bij de Verdragen eveneens Partij zijn bij dit Protocol, zijn de Verdragen van toepassing als aangevuld door dit Protocol.
Wanneer één van de Partijen bij het conflict niet door dit Protocol is gebonden, blijven de Partijen bij dit Protocol daardoor in hun onderlinge betrekkingen gebonden. Zij zijn bovendien door dit Protocol gebonden met betrekking tot ieder van de Partijen die daardoor niet is gebonden, indien de laatstbedoelde Partij de bepalingen daarvan aanvaardt en toepast.
De autoriteit die een volk vertegenwoordigt dat met een Hoge Verdragsluitende Partij in een gewapend conflict is gewikkeld als bedoeld in artikel 1, vierde paragraaf, kan zich door middel van een tot de depositaris gerichte verklaring verbinden, de Verdragen en dit Protocol toe te passen met betrekking tot dat conflict. De verklaring heeft, vanaf het ogenblik dat de depositaris haar heeft ontvangen, met betrekking tot dat conflict de volgende gevolgen:de Verdragen en dit Protocol worden ten aanzien van de bovenbedoelde autoriteit als Partij bij het conflict onmiddellijk van kracht;
de bovenbedoelde autoriteit oefent dezelfde rechten uit en neemt dezelfde verplichtingen op zich als een Hoge Verdragsluitende Partij bij de Verdragen en dit Protocol;
de Verdragen en dit Protocol zijn gelijkelijk verbindend voor alle Partijen bij het conflict.
Artikel 97 - Wijziging
Iedere Hoge Verdragsluitende Partij kan voorstellen doen tot wijziging van dit Protocol. De tekst van elk wijzigingsvoorstel wordt ter kennis gebracht van de depositaris, die na raadpleging van alle Hoge Verdragsluitende Partijen en het Internationale Comité van het Rode Kruis beslist, of een conferentie ter bestudering van het wijzigingsvoorstel bijeen moet worden geroepen.
De depositaris nodigt alle Hoge Verdragsluitende Partijen voor die conferentie uit, evenals de Partijen bij de Verdragen, ongeacht of deze ondertekenaar zijn van dit Protocol of niet.
Artikel 98 - Herziening van Bijlage I
Uiterlijk vier jaar na de inwerkingtreding van dit Protocol en daarna met tussenpozen van ten minste vier jaar, raadpleegt het Internationale Comité van het Rode Kruis, de Hoge Verdragsluitende Partijen met betrekking tot Bijlage I bij dit Protocol en kan het, indien het zulks noodzakelijk acht, een voorstel doen tot het houden van een vergadering van technische deskundigen, ten einde Bijlage I te herzien en die voorstellen tot wijziging te doen die wenselijk blijken te zijn. Tenzij binnen zes maanden na de mededeling van een voorstel tot het houden van een zodanige vergadering aan de Hoge Verdragsluitende Partijen één derde van hen bezwaar maakt, roept het Internationale Comité van het Rode Kruis de vergadering bijeen, en nodigt daarbij ook waarnemers uit van de internationale organisaties die daarvoor in aanmerking komen. Een zodanige vergadering wordt door het Internationale Comité van het Rode Kruis eveneens, te allen tijde bijeengeroepen, wanneer één derde van de Hoge Verdragsluitende Partijen zulks verzoekt.
De depositaris roept een conferentie van de Hoge Verdragsluitende Partijen en de Partijen bij de Verdragen bijeen, ten einde de door de vergadering van technische deskundigen voorgestelde wijzigingen te bestuderen, indien het Internationale Comité van het Rode Kruis of één derde van de Hoge Verdragsluitende Partijen zulks na die vergadering verzoekt.
Wijzigingen in Bijlage I kunnen op een zodanige conferentie worden aangenomen met een twee derde meerderheid van de Hoge Verdragsluitende Partijen die aanwezig zijn en hun stem uitbrengen.
De depositaris brengt iedere aldus aangenomen wijziging ter kennis van de Hoge Verdragsluitende Partijen en de Partijen bij de Verdragen. De wijziging wordt geacht te zijn aanvaard na verloop van een periode van één jaar na die kennisgeving, tenzij binnen die periode door ten minste één derde van de Hoge Verdragsluitende Partijen een verklaring van niet-aanvaarding van de wijziging ter kennis van de depositaris is gebracht.
Een wijziging die is geacht te zijn aanvaard overeenkomstig de vierde paragraaf, treedt drie maanden na de aanvaarding ervan in werking ten aanzien van alle Hoge Verdragsluitende Partijen behalve ten aanzien van die Partijen die een verklaring van niet-aanvaarding overeenkomstig dezelfde paragraaf hebben afgelegd. Iedere Partij die een zodanige verklaring aflegt, kan deze te allen tijde intrekken, in welk geval de wijziging ten aanzien van die partij drie maanden daarna in werking treedt.
De depositaris stelt de Hoge Verdragsluitende Partijen en de Partijen bij de Verdragen in kennis van de inwerkingtreding van iedere wijziging, van de Partijen die erdoor zijn gebonden, van de datum van inwerkingtreding ervan ten aanzien van iedere Partij, van overeenkomstig de vierde paragraaf afgelegde verklaringen.
Artikel 99 - Opzegging
Indien een Hoge Verdragsluitende Partij dit Protocol mocht opzeggen, wordt de opzegging eerst van kracht een jaar na de ontvangst van de akte van opzegging. Indien echter aan het einde van dat jaar de Partij die opzegt, is verwikkeld in een situatie als bedoeld in artikel 1, wordt de opzegging niet van kracht voor het einde van het gewapende conflict of de bezetting, en in elk geval niet voordat de verrichtingen in verband met de definitieve vrijlating, repatriëring of nieuwe vestiging van de personen die door het Verdrag of dit Protocol worden beschermd, zijn voltooid.
De opzegging wordt schriftelijk ter kennis van de depositaris gebracht, die haar aan alle Hoge Verdragsluitende Partijen toezendt.
De opzegging heeft alleen gevolg ten aanzien van de Partij die opzegt.
Geen enkele opzegging krachtens de eerste paragraaf tast, met betrekking tot welke handeling ook die is verricht voordat de opzegging van kracht wordt, de verplichtingen aan die ten gevolge van het gewapende conflict krachtens het Protocol reeds op die Partij die opzegt, rusten.
Artikel 100 - Kennisgevingen
De depositaris stelt de Hoge Verdragsluitende Partijen, evenals de Partijen bij de Verdragen, ongeacht of deze ondertekenaar zijn van dit Protocol of niet, in kennis van:

ondertekeningen van dit Protocol en de neerlegging van akten van bekrachtiging en van toetreding krachtens de artikelen 93 en 94;
de datum van de inwerkingtreding van dit Protocol krachtens artikel 95;
kennisgevingen en verklaringen, ontvangen op grond van de artikelen 84, 90 en 97;
verklaringen, ontvangen op grond van artikel 96, derde paragraaf, die op de snelst mogelijke wijze ter kennis dienen te worden gebracht;
opzeggingen krachtens artikel 99.
Artikel 101 - Registratie
Dit Protocol wordt na zijn inwerkingtreding door de depositaris aan het Secretariaat van de Verenigde Naties toegezonden ter registratie en publicatie overeenkomstig artikel 102 van het Handvest van de Verenigde Naties.
De depositaris stelt het Secretariaat van de Verenigde Naties tevens in kennis van alle bekrachtigingen, toetredingen en opzeggingen die met betrekking tot dit Protocol worden ontvangen.
Artikel 102 - Authentieke teksten
Het origineel van dit Protocol, waarvan de Arabische, Chinese, Engelse, Franse, Russische en Spaanse teksten gelijkelijk authentiek zijn, wordt neergelegd bij de depositaris, die voor eensluidend gewaarmerkte afschriften daarvan aan alle Partijen bij de Verdragen toezendt.

Stel je vraag

  • Geboortedatum

  • verzend

Detail

  • Plaats: Genève
  • Aangenomen: 08-06-1977
  • Inwerkingtreding: 07-12-1978

In België

  • Ratificatie: 20-05-1986
  • Inwerkingtreding: 20-11-1986
  • Ondertekening: 12-11-1977
  • Publicatie: 07-11-1986
  • Geen voorbehoud of verklaring