www.rodekruis.be

Ga naar inhoud.
Ga naar hoofdnavigatie.

U bent hier: home > internationaal > oorlogsituaties > uit de praktijk

Oorlogsituaties

Print

Uit de praktijk

Eind goed, al goed 

Na twee jaar ziet Sima haar drie kinderen weer

Het zal je maar gebeuren. In jouw land breekt er oorlog uit. Paniek alom en slechts die ene gedachte spookt door je hoofd: ik moet hier weg.
Na een turbulente vlucht kom je aan op een veilige bestemming. En je man en kinderen? Waar zijn ze? Onderweg kwijtgeraakt… Het overkwam Sima, een Afghaanse uit Masa-i-Sharif, die in België strandde.
 
Sima kwam in oktober 2001 in België aan. Ze vroeg het statuut van vluchteling aan en woonde in afwachting van de goedkeuring in het opvangcentrum voor asielzoekers in Westende. In februari 2002 trok ze naar Tracing met de vraag om haar man en drie kinderen op te sporen. Cecile Vanoverschelde nam die taak op zich en vertelt…

Cecile: “Afghanistan was verwikkeld in een oorlog en dat maakt opsporingen altijd moeilijker: er heerst algemene chaos, mensen zijn op de vlucht en niemand weet waar ze zijn. Daarom gaan we ook te rade bij verwanten en kennissen van de vermiste. Sima wist me te vertellen dat haar man afkomstig was uit Tasjkent in Oezbekistan. Dus gingen we daar op zoek naar sporen van hem en zijn kinderen.”

Het bureau van het Internationale Rodekruiscomité (ICRC) in Tajkent had meer nieuws. Cecile kreeg te horen dat de man van Sima overleden was. De kinderen waren gelukkig ongedeerd en woonden voorlopig bij familie in Tasjkent. Wonen is misschien een groot woord. Samen met 15 andere personen leefden ze in een tweekamerflat. De mensen van het ICRC waren dringend op zoek naar opvang voor de drie jongens en vroegen Cecile of ze herenigd konden worden met hun moeder.

Cecile: “En daar zat nu net de moeilijkheid. Sima wachtte nog steeds op de goedkeuring van haar vluchtelingenstatuut in België en zolang dat dat niet in orde was, kon er van hereniging geen sprake zijn. ”

Op 3 juli 2003 werd Sima eindelijk erkend als vluchteling. Toen ging alles heel erg snel en kon de reis naar België gepland worden. Het ICRC nam de organisatie en de kosten op zich.

Cecile: “De drie kinderen waren nog minderjarig en stonden bijgeschreven op het paspoort van de vader. Die man was echter overleden, dus konden ze niet met zijn papieren reizen. Een ‘laissez-passer’ was de oplossing. Dat is een vrijgeleide, uitgegeven door de Belgische ambassade, die enkel geldig is om naar eigen land terug te keren. Sima was definitief erkend, dus was België meteen ook het land van de kinderen geworden. Mukadesh, een medewerkster van het ICRC in Oezbekistan zou met hen meereizen. Zij spreekt Farsi, de taal van de kinderen en ook Russisch. Vooral dat laatste zou goed van pas komen bij de tussenlanding in Moskou. Door een misverstand in de Russische luchthaven mochten de kinderen het vliegtuig bijna niet meer op. Dat werd gelukkig snel rechtgezet.”

En dan was er eindelijk de echte hereniging in Zaventem. Sima had haar jongens twee volle jaren niet meer gezien. De kleinste was 1 jaar toen ze hem uit het oog was verloren.

Cecile: “Het was een zeer bewogen aankomst. Het was laat, de kinderen waren moe en de moeder was heel erg zenuwachtig. Vreugde om het weerzien en  verdriet om wat er gebeurd was, wisselden elkaar voortdurend af. Toen Sima het paspoort van haar overleden man en de originele overlijdensakte in handen kreeg, werd het haar even te veel.”
 
Enkele dagen later bezocht Cécile het pas herenigde gezin. Wali, Ismail en Nazir voelden zich al helemaal thuis op het kleine nette appartement van hun moeder. Ze lachten en speelden alsof er nooit iets was gebeurd.

De namen van de Afghaanse moeder en haar kinderen zijn fictief.