Clustermunitie is munitie samengesteld uit een container die meerdere kleine explosieve ladingen bevat. Wanneer de munitie wordt afgevuurd, opent de container zich in de lucht op een vooraf ingestelde hoogte boven het doelwit, waardoor de explosieve ladingen – submunitie genoemd – zich over een grote oppervlakte verspreiden.
De container waarin de submunitie opgeslagen zit, kan bestaan uit een vliegtuigbom, een raket of een artilleriegranaat. Clustermunitie kan dus zowel vanuit de lucht, als vanop de grond of de zee afgevuurd worden.
Granaten die door kanonnen afgeschoten worden, kunnen 50 tot 90 stuks submunitie bevatten. Clusterbommen en -raketten hebben een veel grotere capaciteit. Zij kunnen tot 650 kleine bommetjes op hun doelwit doen neerdalen. De oppervlakte die ze daarbij bestrijken, beslaat gemiddeld zo’n twee tot vier voetbalvelden.
Submunities bestaan in veel verschillende soorten en typen. Ze zijn vaak kleiner dan een vuist en wegen slechts enkele honderden grammen.
Clustermunitie werd tijdens de Koude Oorlog door militairen ontwikkeld om ingezet te worden tegen vijandelijke troepen en voertuigen die zich in open terrein bevinden. Clustermunitie is eveneens geschikt om de landingsbanen van de tegenstander te beschadigen.
Gebruik van clustermunitie
De eerste experimenten met clustermunitie vonden plaats tijdens de Tweede Wereldoorlog. Gedurende de Vietnam-oorlog werd de munitie voor het eerst op grote schaal gebruikt door de Verenigde Staten, die er naast Vietnam ook Laos en Cambodja mee bombardeerden. De afgelopen jaren werd clustermunitie onder meer in Afghanistan en Irak ingezet. In de zomer van 2006 vuurde Israël tijdens het conflict met Hezbollah massale hoeveelheden clustermunitie op Libanon af.
In totaal werd clustermunitie in minstens 21 landen in Europa, Afrika en Azië gebruikt. Daarbij werden minimaal 440 miljoen stuks submunitie verspreid. Naast de reeds vermelde conflicten werd het wapen onder meer ingezet in Syrië, Tsjetsjenië, Ethiopië, Eritrea en de voormalige Joegoslavische republieken.