Tot op heden hebben zo’n 14 staten tijdens een gewapend conflict clustermunitie gebruikt. Het betreft Eritrea, Ethiopië, Frankrijk, Israël, Marokko, Nederland, Nigeria, Rusland, Saoudi-Arabië, Soedan, Tadzjikistan, Groot-Brittannië, de Verenigde Staten en het voormalige Joegoslavië.
Het merendeel van deze staten beschikt over professionele legers die goed in het internationaal humanitair recht getraind zijn. Desondanks heeft de praktijk aangetoond dat de regels vaak geschonden worden. Zelfs wanneer clustermunitie door professionele legers gebruikt wordt, heeft ze dus zware gevolgen voor de burgerbevolking. Omwille van zijn onnauwkeurigheid en onbetrouwbaarheid stelt het wapen bijzondere problemen waarvoor de algemene regels niet voldoen.
Een tweede reden waarom een verdrag dringend nodig is, schuilt in de enorme hoeveelheid clustermunitie die zich momenteel in opslagplaatsen bevindt. Wereldwijd beschikken 75 staten over een voorraad clustermunitie. In totaal gaat het over miljoenen stuks clustermunitie met miljarden submunities. Indien slechts een deel van deze voorraad in de toekomst effectief gebruikt zou worden, zou dat een enorme humanitaire ramp betekenen.
Een derde gevaar is het gevaar van proliferatie d.w.z. de verdere verspreiding van het wapen. Een van de redenen waarom slechts 40% van alle landen over clustermunitie beschikt, schuilt in de complexiteit en kostprijs ervan. Clustermunitie is relatief duur in vergelijking met andere wapens. Bovendien kan ze enkel worden afgevuurd met bepaalde wapensystemen, zoals zware artillerie en vliegtuigen.
Verschillende Westerse landen zijn momenteel bezig met het moderniseren van hun bestaande voorraden clustermunitie. Het gevaar bestaat daardoor dat de oudere typen tegen een lage prijs en in massale hoeveelheden op de wereldmarkt zullen worden aangeboden. Tot nog toe beschikken slechts weinig gewapende groepen over clustermunitie, maar daar zou wel eens verandering in kunnen komen.