Landmijnen doden of verwonden ieder jaar tienduizenden mensen en remmen de ontwikkeling van hele regio’s. Ze maken geen onderscheid tussen burgers en strijders en veroorzaken heel wat onnodig leed. Bovendien blijven deze wapens dood en vernieling zaaien lang na het einde van een gewapend conflict.
Omdat de menselijke kost ervan zo enorm hoog is, werden vanaf het einde van de jaren zeventig pogingen gedaan om het gebruik van landmijnen te reglementeren. In eerste instantie gebeurde dit in het kader van het Conventionele Wapenverdrag van 1980. Het betreffende Protocol II, dat in 1996 geamendeerd werd, bood echter onvoldoende antwoord op het epidemische landmijnenprobleem.
Een grootschalige publieke actie van het Rode Kruis, de Internationale Campagne voor een Ban op Landmijnen, de Verenigde Naties en talrijke staten leidde in 1997 tot de aanvaarding van het Ottawaverdrag. Dit succesvolle verdrag stelt een totaal verbod in op het gebruik, de opslag, de productie en de overdracht van antipersoonsmijnen en verplicht staten tot de vernietiging van bestaande voorraden.
Voor antivoertuigmijnen, daarentegen, is men er tot op heden nog niet in geslaagd specifieke internationale reglementering te ontwikkelen.