Einde 2006 trad Protocol V van het Conventionele Wapenverdrag in werking. Het Protocol heeft betrekking op explosieve oorlogsresten en is het eerste verdrag dat de partijen bij een gewapend conflict verplicht om na het einde van de vijandelijkheden alle niet-ontplofte munitie op te ruimen. Voorbeelden van zulke explosieve oorlogsresten zijn artilleriemunitie, mortierbommen, handgranaten, submunitie van clusterwapens…
Explosieve oorlogsresten blijven een dodelijke bedreiging vormen voor de burgerbevolking, humanitaire hulpverleners en vredestroepen lang nadat het laatste schot gevallen is. Ze bemoeilijken zo de hervatting van het normale leven en de snelle wederopbouw van gebieden die vaak erg onder het oorlogsgeweld geleden hebben. Vooral het gebruik van clustermunitie is vanuit dit perspectief erg problematisch.
Clustermunitie is munitie bestaande uit containers die zich boven hun doel openen en tientallen tot honderden kleine bommetjes over een grote oppervlakte laten neerkomen. De bommetjes zijn ontworpen om bij impact of kort daarna te ontploffen. Een groot aantal doet dat echter niet. De onontplofte bommetjes blijven achter op het slagveld en zijn vrijwel net zo gevaarlijk als antipersoonsmijnen. Het Rode Kruis pleit daarom voor internationale reglementering inzake clustermunitie.